Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Kleine zwaan

Kleine zwaan

Cygnus bewickii | Bewick's swan | Cisne chico

De kleinste en meest gansachtige zwaan van Europa, met een korte hals en een rond kopje. Elke winter komen ze uit Siberië naar de Nederlandse polders, waar hun kwetterende gekeuvel over het grasland klinkt.

Kleine zwaan (Cygnus bewickii)
Foto: Maga-chan — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger, spraakzamer en meer kwetterend dan de wilde zwaan: een gedempt, nasaal en golvend koe-koe-koeloe, dat uit een foeragerende groep als aanhoudend gebabbel klinkt. De vluchtroep is een zachter, opgewekt kow-kow. Vooral te horen bij het uit- en invliegen van de slaapplaats in november en december.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Duidelijk kleiner en compacter dan de wilde zwaan, met een kortere hals en een rond, hoog voorhoofd. De gele snavelbasis is klein en afgerond, bedekt minder dan de helft van de snavel en eindigt vóór het neusgat; het patroon verschilt bij elke vogel. Eerstewinters zijn vuilgrijs met een roze snavelbasis.

Verwarrings­soorten

Bij de wilde zwaan loopt het geel in een scherpe punt tot voorbij het neusgat en beslaat het meer dan de helft van de snavel; bij de kleine zwaan is de gele vlek klein, vierkant of rond en blijft achter het neusgat. De knobbelzwaan heeft een oranje snavel met zwarte knobbel en een gebogen hals.

Leefgebied

Overwintert op vochtig grasland, oogstresten van suikerbieten en aardappelen en op wintergraan; slaapt op ondiepe plassen, kreken en randmeren. Broedt op de arctische toendra van Noord-Rusland, aan poelen en meanderende riviertjes. Vroeger sterk gebonden aan fonteinkruid in ondiep water, tegenwoordig vooral op landbouwgrond.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de Russische toendra, van het Kanin-schiereiland tot de Lena. De Noordwest-Europese populatie overwintert in Nederland, Engeland, Ierland en Noord-Duitsland, met de Nederlandse polders en randmeren als kerngebied. In Spanje is de soort een uitzonderlijke dwaalgast, met slechts een handvol waarnemingen.

  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kom in november en december naar de Ooijpolder, het Lauwersmeer, de Wieden of de Flevopolders. Zoek in de vroege ochtend op de slaapplassen en volg de groepen daarna naar de bietenakkers; het licht van de late namiddag toont de snavelpatronen het best. Neem de tijd voor elke individuele snavel.

Staat van instandhouding

De Noordwest-Europese populatie is sinds de jaren negentig sterk afgenomen. Laag broedsucces op de toendra, illegaal afschot en loodvergiftiging langs de trekroute, aanvaringen met hoogspanningsleidingen en windturbines, en het oostwaarts verschuiven van de overwintering door zachtere winters spelen alle een rol.