Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Tureluur

Tureluur

Tringa totanus | Common redshank | Archibebe común

De tureluur is de luidruchtige wachter van kwelder en veenweide, die bij de minste verstoring alarmerend opvliegt. Oranjerode poten en brede witte achterranden aan de vleugels maken hem in vlucht onmiskenbaar.

Tureluur (Tringa totanus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer stemactief. De roep is een helder, weemoedig gefloten tjululu, dalend in toonhoogte; bij alarm een aanhoudend, scherp tjip-tjip-tjip-tjip vanaf een paaltje. De zangvlucht boven het grasland levert een jodelend, opzwepend tululu-tululu. Vooral te horen van maart tot juni, maar ook winters op het wad bij verstoring.

Luister: Jodelende baltszangXC466470

Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Middelgrote steltloper met vrij lange oranjerode poten en een rechte snavel die aan de basis oranjerood is en naar de punt zwart. Bovendelen warmbruin met donkere vlekken, borst en flanken fijn gestreept; in winterkleed veel grijzer en effener, met flets oranje poten. In vlucht beslissen de brede witte achterranden van beide vleugels en de witte wig die tot op de rug doorloopt.

Verwarrings­soorten

Zwarte ruiter is slanker, langpotiger en heeft een langere snavel met alleen de ondersnavelbasis rood; hij mist de witte achtervleugelrand en toont een witte ovaal op de rug. Poelruiter is fijner gebouwd, bleker en heeft een naaldfijne snavel en groengrijze poten. Juveniele tureluurs hebben oranjegele poten en warm gezoomde dekveren en worden geregeld voor kemphaan aangezien.

Leefgebied

Vochtig, kruidenrijk grasland, kwelders, schorren en verlandingszones met korte vegetatie en ondiepe plasjes. Buiten de broedtijd vrijwel geheel gebonden aan slikplaten, mosselbanken, brakke kreken en zoutpannen. Foerageert tastend en pikkend in de zachte bovenlaag van slik, waar wormen, kreeftachtigen en slakjes voorhanden zijn.

Verspreiding en trek

Broedt van IJsland en Scandinavië tot de Zwarte Zee; Nederland herbergt met de kwelders en de veenweiden een aanzienlijk deel van de West-Europese populatie. Noordelijke vogels trekken naar de Atlantische kusten. In Spanje broedt hij plaatselijk in de zoutpannen van de Ebrodelta en Andalusië en overwintert hij talrijk in Doñana en de Cádiz-baai.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

April en mei zijn het beste: ga bij zonsopgang naar een kwelder of een extensief beheerde polder en let op vogels die op hekpalen alarmeren. Op het wad loont het rond opkomend water bij een hoogwatervluchtplaats te posten, wanneer groepen zich met scholeksters en bonte strandlopers mengen.

Staat van instandhouding

Als broedvogel in het agrarisch grasland fors afgenomen door ontwatering, vroeg maaien en predatie van nesten en kuikens; op kwelders houdt de stand beter stand. Op het wad zijn overwinteraars gevoelig voor verstoring, schelpdiervisserij en het verdwijnen van rustige hoogwatervluchtplaatsen. Extensieve beweiding en een hoog waterpeil helpen aantoonbaar.