Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Rosse franjepoot

Rosse franjepoot

Phalaropus fulicarius | Red phalarope | Falaropo picogrueso

De rosse franjepoot is een steltloper die zijn hele winter op open zee doorbrengt, dobberend als een kurkje boven planktonrijke fronten. In Nederland is hij daarom vooral een zeetreksoort, die na een najaarsstorm ineens op een strandmeer of in de branding kan opduiken.

Rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgend; wie hem hoort, hoort een kort, hoog en scherp piet of wit, dunner en hoger dan de roep van grauwe franjepoot en makkelijk te missen boven windgeruis. Foeragerende groepjes op zee laten een zacht, hoog gepiep horen. In het broedgebied klinkt van vrouwtjes bij de balts een snel, laag ratelend prrrp-prrrp. Aan de Nederlandse en Spaanse kust zie je hem vrijwel altijd zwijgend voorbijkomen, dus reken niet op geluid.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Forser en boller dan de grauwe franjepoot, met een korte, dikke, stompe snavel die aan de basis geel is. In het kleed dat wij zien, winterkleed en eerstejaars, is de mantel effen lichtgrijs zonder lengtestrepen, de kop wit met een zwarte oogvlek en een donkere achterkruin. Juvenielen in september zijn nog donker op de rug met roomkleurige zomen en een roze-beige waas op hals en borst, maar ruien snel naar dat schone grijs. Vrouwtjes in zomerkleed zijn spectaculair: diep roestrood van keel tot staart, met een wit gezichtsmasker, zwarte kruin en gele snavel; mannetjes zijn doffer. Op het water ligt hij hoog, met opgetrokken achterlijf, en draait vaak in kleine rondjes om voedsel op te wervelen.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot is de kern van het probleem: die is kleiner en slanker, heeft een naaldfijne, geheel zwarte snavel, en in winterkleed een donkerder grijze mantel met duidelijke lichte lengtestrepen. Juveniele grauwe franjepoten zijn veel donkerder op de rug met opvallend geelbruine mantelstrepen. Op afstand op zee kan een drijvende rosse franjepoot een dwergmeeuw of een klein alkje suggereren, maar het draaiende foerageren en de tikkende snavelbewegingen zijn typisch. Drieteenstrandloper is wit en grijs maar loopt op het strand en zwemt niet.

Leefgebied

Buiten de broedtijd volledig pelagisch: hij overwintert op de open oceaan boven opwellingsgebieden en langs plankton­rijke stroomgrenzen, waar hij van het wateroppervlak pikt. Alleen storm brengt hem tegen de kust of, uitzonderlijk, naar een binnenlandse plas of haven, waar hij dan zonder schuwheid vlak voor de voeten kan foerageren. Broedt op natte kustoendra met poeltjes en zeggen in de hoge Arctis.

Verspreiding en trek

Broedt in IJsland, Spitsbergen, arctisch Rusland, Groenland en Noord-Canada, en overwintert op zee, onder meer boven de opwellingsgebieden voor West-Afrika en Zuid-Amerika. Voor Nederland gaat het om een schaarse maar jaarlijkse najaarsdoortrekker die vanaf zeetrekposten wordt gezien, met een piek in oktober en november en de meeste vogels na noordwesterstorm. Langs de Spaanse kust is hij regelmatiger, vooral boven de Golf van Biskaje en voor Galicië, en hij passeert in wisselende aantallen de Straat van Gibraltar.

  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zeetrek is de beste kans: neem in oktober of november na een stevige noordwester tot westerstorm plaats achter een strekdam of in een zeetrekhut en scan niet de lucht maar het wateroppervlak. Een rosse franjepoot valt op als een klein, bleek, hoog liggend vogeltje dat in de golfdalen verdwijnt en weer opduikt, vaak draaiend. In de dagen na de storm loont het om aangrenzende strandmeren, havens en zelfs binnenlandse plassen af te zoeken; verwaaide vogels blijven soms een dag of twee hangen en laten zich dan van heel dichtbij bekijken.

Staat van instandhouding

Least Concern, met een grote circumpolaire wereldpopulatie die zich lastig laat tellen omdat ze zich over de open oceaan verspreidt. De Europese broedvogels in IJsland en op Spitsbergen vormen daarvan een klein deel. De kwetsbaarheid zit vooral op zee: veranderingen in de planktonproductie door opwarming en verschuivende stromingen, olievervuiling en verstrengeling in vistuig raken de soort direct, terwijl in het broedgebied vooral vroegere sneeuwsmelt en predatie meespelen. Grote sterftegevallen na langdurige stormen zijn bekend.