Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Witvleugelstern

Witvleugelstern

Chlidonias leucopterus | White-winged tern | Fumarel aliblanco

De witvleugelstern is de kleinste en meest contrastrijke moerasstern, in broedkleed een vliegend schaakbord van gitzwart en wit. Boven Oost-Europese moerassen fladdert hij met korte, brede vleugels laag over het riet.

Witvleugelstern (Chlidonias leucopterus)
Foto: Nrg800 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, kort en raspend kèrsj of kerrek, hoger en scherper dan van de zwarte stern en met een nasale bijklank. In kolonies een aanhoudend, geagiteerd geratel. In West-Europa hoor je hem zelden, hooguit van doortrekkende vogels boven een plas in mei of augustus; het geluid is dan een goede bevestiging.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

In broedkleed geheel zwart kop, romp en vooral de zwarte ondervleugeldekveren, die scherp afsteken tegen de witte handpennen; bovenvleugeldekveren wit, stuit en staart wit, snavel donkerrood en poten helderrood. In winterkleed wit met een fijn gestreepte kruin en een kleine, van de kruin gescheiden oorvlek, een zuiver witte stuit en geen donkere schoudervlek. Juveniel met donkerbruine, sterk contrasterende zadelrug.

Verwarrings­soorten

In het najaar is de zwarte stern de valkuil. Let op de donkere schoudervlek voor de vleugelbocht, die de witvleugelstern altijd mist, en op de witte stuit die contrasteert met de grijze rug. De kopstreping is bij witvleugelstern beperkter, waardoor de zwarte oorvlek geïsoleerd oogt; de snavel is korter en de vleugelslag ondieper en huppeliger.

Leefgebied

Ondiepe, dichtbegroeide zoetwatermoerassen, overstroomde steppemeren, visvijvers en natte weilanden in het binnenland. Broedt in losse kolonies op drijvende matten van zeggen en waterplanten. Jaagt boven ondergelopen grasland, rietvelden en akkers naar insecten, die hij grotendeels in de lucht of van vegetatie plukt en zelden uit het water.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Oost-Europa en Centraal-Azië, met het Europese zwaartepunt in Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland; verder westelijk uitsluitend in natte jaren en dan onregelmatig. In Nederland een schaarse doortrekker met soms invasieachtige mei-instromen; in Spanje eveneens een schaarse maar jaarlijkse doortrekker, met name in de Ebrodelta en de zuidelijke lagunes.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Mei en de tweede helft van augustus zijn de kansrijkste perioden. Scan bij oostenwind en warm weer de moerassterngroepen boven grote binnenwateren zoals het Lauwersmeer, de Oostvaardersplassen of de Gelderse Poort. Kijk in de avond, wanneer sterns zich verzamelen boven ondiep water en het licht laag en zijdelings valt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een grote maar sterk fluctuerende oostelijke populatie die meebeweegt met het waterpeil in steppemoerassen. Drooglegging, kanalisatie en het omzetten van overstromingsvlakten in akkerland verkleinen het broedareaal. In West-Europa is het aantal waarnemingen deels afhankelijk van droogte in de kerngebieden en daardoor van jaar tot jaar wisselend.