Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Kraanvogels › Siberische witte kraanvogel
Siberische witte kraanvogel
Leucogeranus leucogeranus | Siberian crane | Grulla siberiana
Een spierwitte kraanvogel met een kale karmijnrode kop en zwarte handpennen die pas in vlucht zichtbaar worden. De westelijke populatie, die ooit over de Wolgadelta naar Iran trok, is teruggelopen tot één wilde vogel; wie er in Europa een ziet, kijkt vrijwel zeker naar een uitgezette of ontsnapte vogel.
Geluid
Een hoge, heldere fluittoon, kloe-ie, dunner en muzikaler dan het rauwe getrompetter van de kraanvogel en op afstand eerder voor een gans dan voor een kraanvogel te houden. Paren roepen in duet, waarbij het mannetje de vleugels half opent en boven de rug houdt. In Europa is de kans om die roep te horen verwaarloosbaar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Zeer grote, geheel witte kraanvogel met kale, karmijnrode huid over voorhoofd, gezicht en snavelbasis tot achter het oog. De snavel is lang, zwaar en donkerrood met een fijn gezaagde snijrand; de poten zijn vleeskleurig tot roodachtig en langer dan bij de kraanvogel. Staand oogt de vogel geheel wit, met alleen een vage roestige waas op de kruin; pas in vlucht snijden de zwarte handpennen door de witte vleugel. Jonge vogels zijn kaneelbruin gevlekt op kop, hals en mantel en hebben nog een bevederd gezicht.
Verwarringssoorten
Op grote afstand kan een grote zilverreiger de indruk wekken, maar die vliegt met ingetrokken hals. De kraanvogel is leigrijs, niet wit, en heeft een zwart-witte halstekening. Het echte struikelblok zijn kraanvogels uit collecties en kweekprogramma's: soorten van het geslacht Grus hebben een bevederd gezicht met hooguit een rode kruinvlek, terwijl bij deze soort het hele voorhoofd en gezicht kaal en rood zijn. Let verder op de zwarte handpennen, die alleen in vlucht te zien zijn, en op de opvallend lange roze poten.
Leefgebied
Broedt in de laaggelegen arctische toendra van Noordoost-Siberië, in uitgestrekte ondiepe zeggenmoerassen en polygoonvenen met veel open water, ver van elke weg. Buiten de broedtijd staat de soort tot aan de buik in ondiep zoet water en op drooggevallen meeroevers en graaft er met de snavel naar wortelknollen. De westelijke vogels overwinterden in ondergelopen rijstvelden en eendenkooien aan de Iraanse Kaspische kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Er zijn twee populaties. De oostelijke broedt in Jakoetië, overwintert bij het Poyangmeer in China en telt inmiddels ruim vijfduizend vogels. De westelijke broedde in het Ob-bekken en trok over de Naurzum-meren in Kazachstan en de Wolgadelta bij Astrachan naar Iran; van die groep rest nog één wilde vogel, die al jaren alleen in Fereydunkenar overwintert. Voor Europa betekent dat hooguit een enkele doortrekker in de Wolga- en Kaspische regio, naast vogels uit kweek- en uitzetprojecten.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is geen soort om in Europa achteraan te reizen. Wie hem wil zien, gaat tussen december en februari naar het Poyangmeer in Jiangxi, waar de hele oostelijke populatie op een handvol plassen bijeenstaat. Duikt er toch een witte kraanvogel in Europa op, kijk dan eerst naar de poten en de vleugel: ringen, zenders en kleurmerken wijzen op een uitzetproject, en die aantekening weegt bij een dwaalgastencommissie zwaarder dan een fraaie foto.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd, en van alle kraanvogels de enige soort in die categorie. De oostelijke populatie is groot genoeg om te blijven bestaan, maar hangt volledig aan één overwinteringsgebied, waar peilbeheer en droogte de waterplanten wegnemen. De westelijke en centrale populaties zijn praktisch verdwenen door jacht langs de trekroute in Afghanistan en Pakistan en door het verlies van moerassen. Sinds 1991 zijn ruim honderdtachtig in gevangenschap gefokte vogels langs de westelijke route losgelaten, zonder dat daaruit een zichzelf onderhoudende groep is voortgekomen.




