Alle soortenGenten en aalscholversAalscholvers › Kuifaalscholver

Kuifaalscholver

Gulosus aristotelis | European shag | Cormorán moñudo

De kuifaalscholver is de aalscholver van de rotskust: kleiner, slanker en flessengroen, met een smaragdgroen oog en in het voorjaar een naar voren gekrulde kuif. Hij blijft dicht bij zee en komt vrijwel nooit op zoet water. Sinds 2021 wordt hij in een eigen geslacht geplaatst, Gulosus, na twee eeuwen onder de naam Phalacrocorax aristotelis.

Kuifaalscholver (Gulosus aristotelis)
Foto: Javier Albertos — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee stil. In de kolonie, van februari tot juni, een beperkt maar luidruchtig repertoire: klikkende reeksen en grommend gekras, bij het mannetje een hard ark-ik-ark-ik-ark-ik, bij verstoring een sissend ssjjt. De geluiden komen uit spleten en grotten en klinken op een klifkust hol na.

Luister: Geknor bij het nestXC908645

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Met 68 tot 78 centimeter duidelijk kleiner en slanker dan de aalscholver, met een kortere staart die bij zwemmende vogels nauwelijks opvalt. Het kopprofiel is het beste kenmerk: een steil, bijna hoekig voorhoofd boven een dunne, gelijkmatig smalle snavel met een fijne haak, waar de aalscholver een aflopend voorhoofd en een zware wigvormige snavel heeft. Van de kale huid is alleen een felgele mondhoek zichtbaar die als een streepje tot onder en achter het oog doorloopt; een witte kinvlek en een uitgebreide gele keelzak ontbreken. Het verenkleed is zwart met flessengroene glans, in het voorjaar met een korte, naar voren gekrulde kuif van december tot april. Jonge vogels van de Atlantische vorm zijn bruin met een donkere buik. In vlucht laag over de golven, met snelle slagen, een rechte hals zonder knik en een gedrongen, spits vleugelbeeld; hij duikt met een duidelijk sprongetje uit het water.

Verwarrings­soorten

De aalscholver is groter en zwaarder, heeft een witte kinvlek, veel gele naakte huid rond de snavelbasis en een aflopend voorhoofd, vliegt hoger met een dikke geknikte hals en zit vaak in het binnenland; zijn jongen zijn bruin met een wit tot vuilwit buikkleed. Juist daar zit de valkuil in het zuiden: de mediterrane vorm desmarestii heeft jongen die van onderen bleek tot bijna wit zijn, met bleekroze poten en voeten in plaats van de zwarte van de Atlantische vogels, zodat de buikkleur in Spanje geen bruikbaar kenmerk is en je op voorhoofd, snavelvorm en de gele mondhoek moet letten. Volwassen desmarestii heeft bovendien meer geel aan de snavelbasis en een iets langere, dunnere snavel dan Atlantische vogels. De dwergaalscholver is veel kleiner, heeft een klein kopje met een kort snaveltje en een lange staart, en zit op zoet water in het zuidoosten van Europa.

Leefgebied

Rotskusten en zeekliffen met spleten, blokken en grotten, en de heldere ondiepe zee daarvoor. Hij vist meestal binnen enkele kilometers uit de kust boven rotsbodem en zandbanken en zoekt zijn prooi vlak boven de bodem. Rust op laag gelegen rotsen, havenhoofden en boeien; anders dan de aalscholver mijdt hij meren, rivieren en modderige binnenwateren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van IJsland, Noorwegen en de Kola tot Bretagne, Iberië en Marokko, en verder door de Middellandse Zee tot in de Zwarte Zee. De Atlantische vorm aristotelis bewoont de noordelijke kusten, de vorm desmarestii de Middellandse Zee, de Balearen en de Zwarte Zee, met naar schatting negen- tot elfduizend paren. In Spanje broeden ongeveer 4.400 paren: circa 2.900 aan de Cantabrisch-Atlantische kust, met de kern op de Cíes en Ons, ongeveer 1.300 op de Balearen, een vijftigtal langs de mediterrane vastelandskust en een kleine groep bij Gibraltar. In Nederland is hij een schaarse maar jaarlijkse wintergast langs de Noordzeekust, vooral bij de Deltawerken en de pieren; in 2013 broedde hij voor het eerst, in een aalscholverkolonie bij Neeltje Jans.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Spanje zijn de Islas Cíes de zekerste plek: neem de boot uit Vigo tussen april en juni, wanneer de vogels op de rotsen onder de kliffen zitten en de kuif nog aanwezig is; vroeg op de dag is de zee er het rustigst en zit de vogel het laagst. Op de Balearen levert Cap de Formentor of een boottocht om Cabrera de mediterrane vorm op, met de bleke jonge vogels erbij. In Nederland is de Brouwersdam van november tot februari de klassieke plek, bij voorkeur bij aflandige wind, wanneer de vogels vlak langs de stortsteen vissen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Spanje staat de Atlantische vorm in het rode boek als bedreigd en de mediterrane als kwetsbaar. De aantallen langs de Noordzee zijn de laatste decennia sterk teruggelopen; visserij die de zandspiering wegneemt, bijvangst in staande netten, olievervuiling en verstoring van kolonies drukken de stand, terwijl ingevoerde ratten en katten op eilanden nesten leeghalen. Herstel van rattenvrije eilanden en beperkingen op kieuwnetten zijn de maatregelen die aantoonbaar helpen.