Alle soortenGenten en aalscholversAalscholvers › Dwergaalscholver

Dwergaalscholver

Microcarbo pygmaeus | Pygmy cormorant | Cormorán pigmeo

De dwergaalscholver is de kleinste aalscholver van de Oude Wereld, niet groter dan een meerkoet en met een staart die bijna even lang is als de romp. Hij hoort bij dichtbegroeid zoet water en zit meestal laag in wilgen of riet langs de oever, niet op een strekdam in de wind.

Dwergaalscholver (Microcarbo pygmaeus)
Foto: Pierre-Marie Epiney — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie vrijwel altijd stil. In de kolonie, van april tot juli, kort en schor geblaf en varkensachtig geknor: een laag korr-korr en een hees ga-ga-ga, ijler en hoger dan het diepe gerommel van de aalscholver. Op slaapplaatsen klinkt bij het invallen wat gekrijs, verder blijft het er opvallend rustig.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en compact, 45 tot 55 centimeter, met een lange, vaak schuin omhoog gedragen staart die het silhouet achterlastig maakt; dat is bij zwemmende en zittende vogels het snelst te zien. De kop is klein en rond met een steil voorhoofd, de snavel kort, dun en licht gehaakt, zonder de zware kaak van de aalscholver. De kale huid rond de snavelbasis is klein en donker tot vuilgeel; een witte kinvlek en een oranjegele keelzak ontbreken volledig. In broedkleed is de vogel zwart met groene glans, met een roodbruine kop en fijne witte haarveertjes over kop en hals; buiten de broedtijd is de kop dof bruin met een lichte keel. In vlucht valt hij op door zijn geringe formaat, snelle vleugelslag en rechte hals: kort van voren, lang van achteren, het omgekeerde van het aalscholverbeeld.

Verwarrings­soorten

De aalscholver is bijna twee keer zo groot, heeft een witte kinvlek, gele naakte huid rond de snavelbasis en een korte staart, en vliegt met een dikke, geknikte hals; de dwergaalscholver houdt zijn hals recht. De kuifaalscholver is eveneens groter, heeft een steil voorhoofd met een dunne snavel en een felgele mondhoek, en houdt zich aan rotskusten en open zee in plaats van aan moeraswater. Een jonge aalscholver is bruin en kan bij een losse vogel even doen twijfelen, maar is meteen veel forser en veel langsnaveliger. Op afstand lijkt een zwemmende dwergaalscholver nog het meest op een meerkoet of een kleine eend; het opgewipte snaveltje en de lange staart geven dan uitsluitsel.

Leefgebied

Laaglandzoetwater met veel structuur: dichtbegroeide meren en oude rivierarmen, traag stromende rivieren en deltakanalen, uitgestrekte rietvelden en de wilgenstruwelen langs de oever, waar hij overdag rust en 's nachts slaapt. Ook viskwekerijen, rijstvelden en kanalen. Hij vist in ondiep, beschut water en jaagt tot in smalle sloten, iets wat de grote aalscholver niet doet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het zwaartepunt ligt in Zuidoost-Europa en Zuidwest-Azië: de Donaudelta, de Balkan, Griekenland met Kerkini en Prespa, Turkije, de Kaukasus en het Kaspische gebied. Sinds de jaren tachtig schuift de westgrens op. In Italië werd in 1981 bij Punte Alberete voor het eerst gebroed; nu zitten er ruim tweeduizend paren, vooral in de Po-delta en de lagune van Venetië, met winterconcentraties van meer dan tienduizend vogels langs de noordelijke Adriatische kust. Ook Hongarije, Oostenrijk en Slowakije hebben broedvogels, en in Beieren zijn sinds 2022 twee kolonies bekend. In Nederland is hij een dwaalgast: het eerste geval was in januari 1999 bij Montfoort, inmiddels staan er veertien aanvaarde gevallen op de lijst, de laatste jaren bijna jaarlijks en meestal in voorjaar en zomer in Utrecht, Gelderland en Flevoland.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wacht er in Nederland niet op, maar ga naar de noordelijke Adriatische kust. Van november tot februari verzamelen zich in de Po-delta en de lagune van Venetië honderden tot duizenden vogels op gezamenlijke slaapplaatsen in wilg en riet; ga een uur voor zonsondergang bij zo'n slaapplaats staan, dan komen ze in kleine snelle groepjes laag over het water binnen. Wie het broedkleed met de roodbruine kop wil zien, gaat in april of mei bij het eerste ochtendlicht naar het meer van Kerkini in Noord-Griekenland, vanaf de dijk aan de zuidkant.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); de soort stond eerder in een hogere categorie en is na herstel van de aantallen afgeschaald. In Europa nemen de aantallen toe en schuift het broedgebied westwaarts op. De belangrijkste bedreigingen zijn het droogleggen en uitbaggeren van moerassen, het winterse afbranden van riet, verstoring van slaapplaatsen, verdrinking in visnetten en afschot doordat vogels voor gewone aalscholvers worden aangezien.