Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Zwarte kraai
Zwarte kraai
Corvus corone | Carrion crow | Corneja negra
De zwarte kraai is één soort in twee jassen. In West- en Zuid-Europa is hij van snavel tot staart zwart; in Noord-, Midden- en Oost-Europa draagt hij een asgrijze mantel en buik tegen een zwarte kop, zwarte vleugels en een zwarte staart — de vogel die in het Nederlands bonte kraai heet en die veel vogelaars hier beter kennen dan de zwarte vorm van eigen bodem. AviList 2025 rekent beide vormen tot één soort, Corvus corone; andere lijsten voeren ze als twee soorten, Corvus corone en Corvus cornix. In het veld maakt dat weinig uit: maat, bouw, gedrag en stem zijn gelijk, alleen het kleed verschilt.
Geluid
Een hard, schrapend kraaa kraaa kraaa, meestal in series van drie of vier met gelijke tussenpauzes, vaak met een bijbehorende buiging van de hele voorkant van het lichaam. Daarnaast een dof klok-klok tussen partners, een kort ratelend alarm en, in het voorjaar, een zacht en verrassend gevarieerd gemompel bij de nestboom. Het hele jaar te horen, het luidst bij territoriumruzies in maart en april. De zwarte en de bonte vorm klinken gelijk: op geluid valt niet uit te maken welke van de twee je voor je hebt.
Opname: Sander Pieterse — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Beide vormen zijn dezelfde forse, gedrongen kraai van 44 tot 51 centimeter, met een zware, licht gebogen snavel waarvan de basis duidelijk bevederd is — de neusveertjes lopen tot ver over de bovensnavel — een donker oog en een van opzij platte kruin zonder piek. In de vlucht valt bij allebei de rechte, ondiepe vleugelslag op, de vrijwel rechte achterrand van de vleugel en de kort afgeronde staart. De zwarte vorm is geheel zwart met een groenblauwe glans die alleen in vol licht oplicht. De bonte vorm heeft kop, keel, vleugels, staart en dijen glanzend zwart en de rest van het lichaam — mantel, rug, borst en buik — bleek asgrijs, met een scherpe grens langs de zwarte borstlap; in de vlucht ligt dat grijs als een licht zadel tussen twee zwarte vleugels. Jonge vogels van beide vormen zijn doffer, met een bruinige waas en een blauwgrijs oog dat in het eerste najaar donker wordt; bij jonge bonte vogels is het grijs vuiler en bruiniger en is de snavelbasis aanvankelijk licht. Waar de twee vormen elkaar raken — een smalle strook van Noord-Schotland via Denemarken en de Elbe door Duitsland tot in Noord-Italië — zijn tussenvormen de regel: zwarte vogels met een grijze waas over flanken of mantel, bonte vogels met zwarte spikkels en onregelmatige vlekken door het grijs, en alles daartussen. Troebel of ongelijkmatig grijs is in die strook dus normaal; ver daarbuiten is het reden om beter te kijken.
Verwarringssoorten
De roek is slanker, met een spitsere, rechtere snavel en bij volwassen vogels een kale, vuilwitte snavelbasis; hij oogt hoogpotig, met een piek op de achterkruin en losse dijbroek. Let op: jonge roeken hebben die kale snavelbasis nog niet en zijn tot ver in hun eerste winter het echte struikelblok — kijk dan naar de spitse snavel, de steilere kop en het gezelschap waarin de vogel zit. De kauw is veel kleiner, met een grijze nek en een lichtgrijs oog. Op afstand is juist de kauw de vogel waarmee de bonte vorm door elkaar loopt, want allebei zijn ze tweekleurig — maar het lichte deel zit aan de andere kant: bij de kauw is de nek en het achterhoofd grijs en de rest van het lijf donker, bij de bonte kraai is de kop juist zwart en zijn mantel en buik licht. Daarbij is de kauw een derde kleiner en kortsnaviger, slaat hij sneller en dieper met de vleugels, loopt hij kwiek en trippelend en roept hij een helder kja, tegen de bedaarde loop en het schrapende geroep van de kraai. De raaf is fors groter, met een wigvormige staart en een diep krok.
Leefgebied
Vrijwel elk open of halfopen landschap met bomen: akkers, weiden, houtwallen, uiterwaarden, duinen, vuilstorten, snelwegbermen, stadsparken en woonwijken. Broedt solitair in een grote takkenkorf hoog in een boom of mast, altijd op ruime afstand van het volgende paar. Foerageert alleseter: wormen, insecten, eieren en jongen, aas, noten, graan en menselijk afval. In het noorden en oosten van het areaal, waar de bonte vorm de gewone kraai is, hoort daar nadrukkelijk de kust bij: wadplaten en vloedmerken, waar schelpen en krabben van hoogte worden stukgeworpen, en verder visafslagen, mesthopen en havens. In de winter volgen beide vormen graag de ploeg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De zwarte vorm broedt in West- en Zuid-Europa: Groot-Brittannië ten zuiden van de Schotse Hooglanden, Frankrijk, de Lage Landen, Duitsland ten westen van de Elbe, Zwitserland, Oostenrijk in het westen, Noordwest-Italië en Noord-Spanje. De bonte vorm broedt in Ierland, Noord- en West-Schotland, Denemarken, Duitsland ten oosten van de Elbe, Scandinavië, Polen, de Baltische staten, Rusland, het grootste deel van Italië en de Balkan, oostwaarts tot in het Midden-Oosten. Daartussen ligt een smalle strook — van de Schotse Hooglanden via Jutland en het Elbedal tot langs de Alpen in Noord-Italië — waar beide vormen door elkaar broeden en waar de meeste vogels tussenvormen zijn. In Nederland is de zwarte vorm jaarrond zeer algemeen, van het wad tot de binnensteden; de bonte vorm was tot in de jaren tachtig een gewone wintergast uit het Oostzeegebied, met duizenden vogels, maar door zachtere winters en kortere trekafstanden gaat het nu om enkele tientallen tot honderden, vooral langs de Waddenkust en in het noorden en oosten van het land. In Spanje blijft de soort beperkt tot het noorden — de Cantabrische kust, Galicië, de Pyreneeën en de noordelijke Meseta — en is de bonte vorm een dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in maart een broedpaar in een rij populieren langs een dijk en kijk hoe de vogel bij het roepen zijn kop en borst diep laat zakken. Wil je de kraaiachtigen naast elkaar zien, ga dan in de winter naar een pas geploegde akker met een gemengde groep: kauwen lopen kwiek en klein tussen de roeken, en de zwarte kraaien staan er meestal in tweeën apart van de rest. Voor de bonte vorm is november tot maart langs de Waddenkust de beste kans — scan op kwelders en vloedmerken de kraaien- en kauwengroepen op een licht zadel. In aantal zie je die vorm pas goed in een stadspark in Midden- of Oost-Europa: in Wenen, Boedapest of Helsinki loopt hij gewoon tussen de wandelaars door.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in het grootste deel van Europa stabiel tot toenemend, geholpen door de opmars naar steden en dorpen. In Nederland en Vlaanderen is de zwarte vorm een gewone broedvogel, al wordt hij in het kader van faunabeheer nog steeds bejaagd; lokale schommelingen hangen samen met dat beheer en met het aanbod van aas en afval. De bonte vorm is in Ierland en Noordwest-Schotland plaatselijk afgenomen, en de strook met tussenvormen verschuift op sommige plekken langzaam. Voor Nederlandse vogelaars is de grootste verandering dat de winterstroom bonte kraaien uit het oosten grotendeels is weggevallen: wat hier vanzelfsprekend was, is nu een gezochte verschijning.




