Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Poelruiter
Poelruiter
Tringa stagnatilis | Marsh sandpiper | Archibebe fino
Een groenpootruiter in miniatuur, maar met alles doorgetrokken: nog langere poten, een nog fijnere snavel en een kopje dat te klein lijkt voor de rest. In Nederland een schaarse maar jaarlijkse doortrekker die vooral in mei en in de nazomer op plas-drasgebieden staat.
Geluid
Een scherp, hoog tjoe, vaak los gegeven en soms in een snelle reeks van twee of drie: tjoe-joe-joe. Het is een verkorte, ijlere versie van de roep van de groenpootruiter, minder vol en gehaaster, met een licht klagend timbre. Boven het broedmoeras klinkt een aanhoudende, jodelende zangvlucht met een ritmisch tjoe-liet tjoe-liet. In Nederland hoor je vrijwel alleen de vluchtroep, en bij een overvliegende vogel is dat het beste kenmerk dat er is.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
22–26 cm en uitgesproken slank, met een naaldfijne, kaarsrechte donkere snavel op een klein, rond kopje. De poten zijn lang en olijfgroen tot geelgroen, met een opvallend lange kale scheenbeenbasis. In winterkleed is de vogel heel bleek: witte voorkop en wangen, effen lichtgrijze bovendelen en spierwitte onderdelen, zodat hij op afstand oplicht. In zomerkleed zijn mantel en schouderveren zilvergrijs met zwarte vlekken en zijn de flanken gestreept. In vlucht een lange witte wig die tot ver op de rug doorloopt, een vrijwel ongebandeerde witte staart en tenen die met een derde van de voet voorbij de staart steken.
Verwarringssoorten
Groenpootruiter is de eerste toets: fors groter met 30–35 cm, met een zware, duidelijk opgewipte snavel met grijze basis, een dikkere hals en grijsgroene poten, en een luide, strenge roep van drie gelijke noten. De poelruiter is in alles fijner, met een rechte naaldsnavel en een dunne hals, en klinkt hoger en haastiger. De tureluur valt meteen af op de oranjerode poten en snavelbasis en op de brede witte achterrand in de vleugel. Kleine geelpootruiter is de lastigste: kanariegele poten in plaats van olijfgroene, een iets steviger snavel en vooral een vierkante witte stuit met een duidelijk gebandeerde staart, in plaats van de lange witte rugwig en de bijna effen witte staart van de poelruiter.
Leefgebied
Ondiep zoet en brak water met een zachte modderrand: plas-drasgebieden, inlaagjes, kleiputten, karrenvelden, zuiveringsvijvers en verlandende oevers. Hij foerageert wadend in een paar centimeter water, pikt snel van het oppervlak en loopt daarbij met opvallend lange passen. Broedt in natte, kruidenrijke graslanden en verlandende moerassen bij steppemeren, vaak in losse groepen met andere steltlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Oost-Europa en de Aziatische steppegordel: van Wit-Rusland, Oekraïne, Polen en de Baltische staten, met kleine en wisselende aantallen in Finland, oostwaarts tot Midden-Siberië. Overwintert in Afrika, Zuid-Azië en Australië. In West-Europa is hij een schaarse doortrekker; in Nederland liep het aantal gevallen tot in de jaren negentig sterk op — van een paar per jaar in de jaren zestig tot zo'n zeventien per jaar rond 1990 — waarna de soort niet langer als zeldzaamheid werd beoordeeld.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei en van half juli tot eind augustus op plas-drasgebieden en inlaagjes waar veel groenpootruiters staan; de poelruiter staat er vaak tussen en verraadt zich door zijn kleinere formaat, blekere voorkomen en dunne snavel. Let op de pootkleur en op de manier van foerageren: waar de groenpootruiter achter visjes aan rent, tikt de poelruiter bedaard van het oppervlak. Bij het opvliegen zijn de rugwig en de uitstekende tenen beslissend.
Staat van instandhouding
Wereldwijd Niet bedreigd (LC), met verreweg het grootste deel van de populatie in Rusland en Kazachstan. De Europese broedpopulatie is klein en schommelt sterk; ontwatering van steppemeren en natte graslanden, omzetting naar akkerbouw en droogte in de broedgebieden zijn de belangrijkste zorgen. Het aantal doortrekkers in West-Europa is sinds de jaren tachtig eerder toe- dan afgenomen.




