Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Koningsfazant
Koningsfazant
Syrmaticus reevesii | Reeves's pheasant | Faisán venerado
De langstaartigste vogel van Europa, en dan nog een die hier niet hoort. Een hoenderachtige met een wit-zwart gemaskerde kop, een goudgeel geschubd lijf en een staart die bij oude hanen anderhalve meter haalt. Inheems in Midden- en Oost-China, in Europa geheel teruggaand op vogels die sinds 1870 voor de jacht zijn uitgezet.
Geluid
Voor zo'n grote vogel opvallend zwak van stem. De haan geeft een korte, hoge, bijna zangvogelachtige gorgelende trilroep, meer een tuwie-tuwie dan een kraai, die maar honderd meter draagt; dat gebrek aan volume wordt genoemd als een van de redenen dat de soort zich in Europa slecht heeft gevestigd. Daarnaast klapwiekt hij hoorbaar bij balts en klinkt bij opvliegen een hard, ratelend kek-kek-kek. In maart en april valt het meeste te horen, vroeg in de ochtend.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
De haan meet 150 tot 210 cm, waarvan het grootste deel staart: zilverwit met brede kastanjebruine en zwarte dwarsbanden, en jaarlijks zo'n 30 cm langer bij een oude vogel. De kop is wit met een breed zwart oogmasker en een zwarte halsband, het lijf goudgeel met zware zwarte schubtekening en donkere onderdelen; de poten zijn grijs. De hen is ongeveer 75 cm, dus zo groot als een fazanthaan, zandbruin met een donkere kruin, een lichte kop en een grijsbruine, gebandeerde staart.
Verwarringssoorten
In de vlucht en op afstand is de hen het probleem: die lijkt sterk op een fazanthen, maar is groter, met een duidelijk donkere kruin tegen een bleke kop en een kortere, breder gebandeerde staart. De haan is onverwisselbaar zodra de kop zichtbaar is; alleen bij een glimp van een staart in het gras kan een fazanthaan storen, maar die heeft een smalle, egaal okerkleurige en dwarsgebande staart zonder wit. Waar koningsfazanten met gewone fazanten samenleven komen kruisingen voor, en die vertonen een verwaterd masker, een roodbruin waas over het geschubde lichaam en een staart van tussenlengte.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos met open plekken, brede bospaden en kapvlakten, en verder bosranden, houtwallen en kleinschalig cultuurland tegen bos aan. In China eikenbos en gemengd bos op heuvels tussen 400 en 2600 meter, met gesloten kronen en weinig ondergroei. In Frankrijk zit hij vooral in de grote boscomplexen van de Sologne, de Ardennen en Champagne, waar hij overdag op paden en langs randen loopt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Inheems in Midden- en Oost-China. In 1831 door John Reeves naar Engeland gebracht en in 1870 in Frankrijk ingevoerd; sindsdien in beide landen uitgezet voor de jacht. Frankrijk heeft nu de grootste Europese stand, met kernen in de Sologne, de Ardennen, Champagne, delen van het zuidwesten en enkele bergstreken zoals de Vercors; Tsjechië kent uitzettingen sinds de negentiende eeuw en houdt lokaal vogels rond fazanterieën. In Groot-Brittannië is de soort nooit ingeburgerd geraakt; na Woburn en Kinveachy in de jaren zeventig was er in 2009 geen noemenswaardige voortplanting meer. In Nederland en Spanje gaat het uitsluitend om ontsnapte of losgelaten vogels.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in maart of april vroeg in de ochtend de brede boswegen van de Sologne of van een Ardens massief af; de vogel steekt open paden lopend over en de staart is dan al op grote afstand te zien. In het najaar en bij sneeuw verraden de sporen hem: een fazantachtige pootafdruk met een sleepstreep van de staart ernaast. Houd er rekening mee dat de meeste vogels binnen enkele kilometers van een uitzetplek of jachtterrein blijven.
Staat van instandhouding
In China is de soort kwetsbaar (VU): naar schatting resteren daar nog ongeveer tweeduizend wilde vogels, door bosverlies en jacht op vlees en op de staartveren, die in de operakostuums van Peking worden verwerkt. In Frankrijk hangt de stand voor een groot deel aan jaarlijkse uitzet uit kwekerijen; enkele boskernen planten zich zelfstandig voort, maar zonder bijplaatsing zou de soort er sterk teruglopen. Kruising met de gewone fazant en het wegtrekken van hanen uit uitzetgebieden worden genoemd als redenen waarom vestiging zo vaak mislukt. De Europese vogels dragen niets bij aan het behoud van de soort in China.




