Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Koningseider

Koningseider

Somateria spectabilis | King eider | Eider real

Een zware zee-eend van de hoge Arctis waarvan het mannetje een oranje snavelknobbel draagt die op een kilometer nog oplicht. Langs de Nederlandse kust duiken er jaarlijks hooguit een paar op tussen de eiders; in Varanger horen ze bij het vaste winterbeeld.

Koningseider (Somateria spectabilis)
Foto: Tim Sackton — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Baltsende mannetjes geven een zacht, duivenachtig koeren in drie tonen, oe-oe-oeh, dat over stil water ver draagt; het vrouwtje kraakt laag en schor, en in vlucht klinken lage kwakende noten. Langs de Noordzee is de soort in de praktijk stil, maar in de Noorse fjorden zijn baltsende groepen vanaf maart goed te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Het volwassen mannetje heeft een blauwgrijze kruin en nek, een lichtgroene wang, een rode snavel met een grote oranje, zwart omrande knobbel, een crèmewitte borst en verder zwarte onderdelen, met twee opstaande zwarte zeiltjes van verlengde schouderveren op de rug. Het vrouwtje is warmbruin met zwarte hoefijzervormige tekening op flanken en rug en heeft een korte, opgewipte snavel. Eerstejaars mannetjes zijn donkerbruin met een vuilwitte borst en een oranje snavel zonder knobbel; het volwassen kleed komt pas in het derde jaar.

Verwarrings­soorten

De eider is de enige echte vergelijking, en bij vrouwtjes en jonge mannetjes draait alles om het kopprofiel. Bij de eider lopen voorhoofd en snavel in één lange, rechte lijn door en reikt de bevedering in twee smalle wiggen ver op de snavel. De koningseider heeft een korter, hoger en ronder voorhoofd met een duidelijke knik naar de snavel, en de bevederingsrand op de snavelzijde is S-vormig gebogen in plaats van recht. Vrouwtjes tonen bovendien hoefijzers op de flanken in plaats van dwarsstreping. Op de keel draagt het volwassen mannetje een scherpe zwarte V; bij onvolwassen mannetjes is die vaak nog goed te zien en bij vrouwtjes hooguit als een vage donkere keelstreep, maar op korte afstand is het het snelste kenmerk.

Leefgebied

Zee-eend van diepere kustwateren dan de eider: duikt tot enkele tientallen meters diep op mosselen, slakken, krabben en stekelhuidigen boven zand- en grindbodems en langs rotsige kusten. In de winter bij zeegaten, havenhoofden en strekdammen, meestal midden in een eidergroep. Broedt aan zoetwaterpoelen op de arctische toendra, een omgeving waar de vogel buiten het broedseizoen nooit komt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Circumpolaire broedvogel van de hoge Arctis. Overwintert in de Beringzee, bij West-Groenland, Oost-Canada en Noord-Noorwegen; Varanger, met Vadsø, Vardø en Båtsfjord, is de betrouwbaarste plek van Europa. Zuidwaarts is het een schaarse dwaalgast. Nederland heeft twintig aanvaarde gevallen tot en met 2024, vrijwel alle van december tot maart en vrijwel alle langs de Waddenkust, met Texel als vaste plek; enkele vogels bleven maanden en trokken langs de hele Noordzeekust.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Noord-Noorwegen kijk je van november tot april vanaf de kades van Vadsø en Båtsfjord, waar koningseiders samen met stellers eiders en ijseenden vlak onder je duiken. In Nederland en Groot-Brittannië werk je in januari en februari eidergroepen bij zeegaten en strekdammen af op een vogel met een korter, hoger kopprofiel; jonge mannen met een oranje snavel maar zonder knobbel worden het vaakst over het hoofd gezien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een populatie in de honderdduizenden, maar de aantallen aan de westelijke Nearctische kant zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk teruggelopen. Knelpunten zijn olievervuiling in de geconcentreerde overwinteringsgebieden, verdrinking in staande netten, jacht en bijvangst, en veranderend zee-ijs dat de bereikbaarheid van schelpdierbanken beïnvloedt.