Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Killdeerplevier

Killdeerplevier

Charadrius vociferus | Killdeer | Chorlitejo culirrojo

Een grote, langstaartige Amerikaanse plevier die zijn eigen naam roept: het doordringende kill-dieee draagt over een heel perceel en heeft meer dan één vogel op de lijst gezet voordat er een kijker was geheven. In Europa is het een vogel van de late herfst en de winter, aangevoerd door zware Atlantische stormen.

Killdeerplevier (Charadrius vociferus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, dringend kill-dieee, oplopend op de tweede lettergreep en eindeloos herhaald; daar dankt de soort zijn naam aan. Bij alarm loopt het aan elkaar tot een snel die-die-die-die, en in de baltsvlucht klinkt een lange, harde ratel. Dwaalgasten zijn luidruchtig, roepen in vlucht en ook 's nachts, en in de praktijk is het geluid minstens zo vaak de eerste aanwijzing als het verenkleed.

Luister: Roep (groepje van tien vogels)XC62728

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Duidelijk groter en langgerekter dan de bontbekplevier, met een lange staart die in rust ver voorbij de vleugelpunten steekt en de vogel een merkwaardig achterzwaar silhouet geeft. Warmbruin van boven en zuiver wit van onderen, met twee zwarte borstbanden, een zwart-wit getekend gezicht en een felle oranjerode oogring rond een groot donker oog. De snavel is dun en geheel zwart, de poten dof roze-grijs. In vlucht ogen de vleugels lang en tamelijk spits, met een brede witte streep, en zijn stuit en bovenstaart opvallend oranjebruin met een zwarte band voor het staarteinde. Jonge vogels tonen beide borstbanden al, met bruinere en zachtere randen.

Verwarrings­soorten

Er valt weinig af te wegen: de dubbele borstband is bij het eerste goede zicht beslissend, en geen andere plevier in de regio heeft er twee. Bontbekplevier, kleine plevier en strandplevier hebben er één, gesloten of onderbroken, en zijn alle veel kleiner en korter van staart. Ook een vogel die alleen in vlucht wordt gezien is meteen rond door de oranjebruine stuit en staart, waar geen Europese plevier bij in de buurt komt. De enige echte valkuil is een verre, opgezette vogel op stoppels waarvan de onderste band schuilgaat onder het borstverenkleed; wacht tot hij zich strekt of wegrent, dan verschijnt de tweede band. Formaat en vorm helpen daarvoor al, want die lange staart voorbij de vleugelpunten hoort bij geen enkele kleine plevier.

Leefgebied

Open, kort en vochtig terrein met kale plekken: buitendijkse graslanden, plas-dras percelen, ondergelopen stoppels, modderige akkerranden, sportvelden, vliegvelden en het grind rond boerenerven. Hij foerageert op de plevierenmanier van rennen, stoppen en pikken, en is veel minder aan de vloedlijn gebonden dan de meeste steltlopers; slikplaten dienen vooral als slaapplaats of als het land bevriest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in vrijwel heel Noord-Amerika en overwintert tot in het noorden van Zuid-Amerika; het is een van de talrijkste en meest aanpasbare steltlopers van dat continent. In Europa is hij een zeldzame dwaalgast, met Ierland, West-Groot-Brittannië, IJsland en de Azoren als zwaartepunt. Het patroon is opvallend laat: de meeste vogels komen tussen november en februari aan, na een reeks diepe Atlantische depressies, en niet in het klassieke steltloperseizoen van september. Nederlandse gevallen zijn zeer schaars en betreffen vooral de winter.

Waar en wanneer kijken

Controleer na een periode van zware westerstormen in de late herfst of vroege winter de ondergelopen graslanden en buitendijkse percelen langs de westkust, en luister voordat je kijkt. Eenmaal gevonden blijft een killdeerplevier meestal hangen: vogels hebben wekenlang hetzelfde natte perceel of boerenerf bezet, wat de soort een van de dankbaarder Amerikaanse steltlopers maakt om achteraan te reizen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, en een van de weinige steltlopers die werkelijk baat heeft gehad bij landbouwgrond, vliegvelden en grindgaten. Toch lopen de Noord-Amerikaanse aantallen terug, met bestrijdingsmiddelen, het maaien van nesten en aanrijdingen in de wegbermen die de soort juist opzoekt als voornaamste oorzaken.