Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dunbekmeeuw
Dunbekmeeuw
Chroicocephalus genei | Slender-billed gull | Gaviota picofina
Een meeuw van zoutpannen en lagunes, en voor de Nederlandse vogelaar vooral een reden om naar het zuiden te reizen. Acht aanvaarde gevallen in ruim twintig jaar, alle in het voorjaar, meestal adulte vogels en niet zelden met twee of drie tegelijk.
Geluid
Een schorre, nasale roep die aan de kokmeeuw doet denken maar voller en dieper klinkt. In de kolonie geven adulte vogels lange reeksen van zes tot tien harde kraah-noten, afgesloten met een hoger krerr. Boven een zoutpan hoor je vooral het aanhoudende gekrijs van tientallen vogels tegelijk, luidruchtiger dan bij een kokmeeuwkolonie van dezelfde omvang.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en langgerekter dan een kokmeeuw, met een opvallend lange, aflopende snavel die op afstand zwart lijkt maar van dichtbij donkerrood is. De kop is klein en rond, met een hoog voorhoofd dat vloeiend in de snavelbasis overgaat; hals en poten zijn lang, waardoor de vogel op het water hoog en gerekt oogt. Het jaar rond een witte kop zonder kap, met een lichte, geelwitte iris en een dunne rode ooglidring. Mantel lichtgrijs, borst en buik wit met een rozige waas die in het voorjaar sterk kan zijn. In vlucht een witte handwig als bij de kokmeeuw, met zwarte punt.
Verwarringssoorten
Het draait om de kokmeeuw. De dunbekmeeuw heeft een langere, aflopende snavel zonder duidelijke knik, terwijl de kokmeeuw een korter, dieper snaveltje met een hoekige ondersnavel heeft. De kop is klein en rond met een hoog voorhoofd, de hals en de poten zijn langer, en in zomerkleed ontbreekt de chocoladebruine kap volledig: alleen een donker vlekje achter het oog blijft over. Daarbij komt de roze gloed op de borst, die de kokmeeuw hooguit vaag toont. De iris is licht in plaats van donker.
Leefgebied
Zoutpannen, kustlagunes, riviermondingen en de ondiepe kustzee daarvoor. Broedt kolonievormend op kale zand- en schelpeneilandjes met wat zoutplanten, vaak samen met sterns, kluten en andere meeuwen. Foerageert al lopend en pikkend in de slikken en al vliegend boven ondiep water, waar hij zich vanaf een meter hoogte laat vallen om vis, garnalen en insecten te grijpen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Verspreid broedend rond de Middellandse Zee, de Zwarte en de Kaspische Zee, verder oostwaarts tot Kazachstan en Noordwest-India, en langs de kust van Mauritanië en Senegal. De dichtstbijzijnde kolonies liggen in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië. In Nederland zijn alleen voorjaarswaarnemingen bekend, van april tot juni met een zwaartepunt in mei, verspreid over Zeeland, Noord-Holland en Groningen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken er in Nederland niet op. Wie de soort wil zien, gaat naar de Ebrodelta of naar de salinas van Santa Pola in april of mei en scant de zoutpannen vanaf de dijkjes. Let bij twijfel eerst op het silhouet: de lange hals en de aflopende snavel vallen eerder op dan de kleur van het verenkleed.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Spanje staat de soort als gevoelig te boek omdat de populatie klein is en op weinig plekken zit. De Spaanse aantallen groeien wel: de telling van 2020 kwam op ruim 2.500 broedparen. Bedreigingen zijn verandering van het waterpeil in de zoutpannen, opkomende predatoren op de broedeilandjes en verstoring, want een kolonie die eenmaal opvliegt keert lang niet altijd terug.



