Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Alaskastrandloper

Alaskastrandloper

Calidris mauri | Western sandpiper | Correlimos de Alaska

De zeldzaamste Amerikaanse strandloper van Europa. Nederland heeft pas twee aanvaarde gevallen, beide in augustus en beide in Friesland. Zoek een peep met een lange, aan de punt omlaag gebogen snavel en, in zomerkleed, roestrode schouderveren.

Alaskastrandloper (Calidris mauri)
Foto: Andy Morffew — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een dun, hoog en licht schrapend tsjiet, ijler en langer aangehouden dan het lage, hese tsjurp van de grijze strandloper en scherper dan het korte, droge tit van de kleine strandloper. Vogels roepen vooral bij het opvliegen en in de zwerm. Neem het geluid op zodra het kan: bij een determinatie die verder op millimeters snavel en veerzomen steunt, is een opname vaak het stuk bewijs dat een geval door de commissie helpt.

Luister: Alarmroep op het broedgebied, TsjoekotkaWikimedia Commons

Opname: Vladimir Yu. Arkhipov (Arkhivov) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Iets forser en langpotiger ogend dan de kleine strandloper, met een lange snavel die aan de basis dik is en naar de punt toe merkbaar omlaag buigt; vrouwtjes hebben de langste snavels, mannetjes de kortste. De poten zijn zwart en tussen de voorste tenen zitten kleine zwemvliesjes. In broedkleed zijn kruin, oorstreek en vooral de schouderveren roestrood, met zwarte ankervormige centra, en lopen pijlpuntvlekken door tot ver op de flanken. Juvenielen hebben helder roestrood gezoomde bovenste schouderveren die scherp afsteken tegen effen grijze onderste schouderveren en dekveren, en een schone witte borst met alleen wat waas opzij. In winterkleed effen grijs boven en wit onder; dan beslist de snavelvorm. De vleugelpunt reikt tot de staartpunt, niet verder.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de grijze strandloper. Die heeft een kortere, rechtere snavel met een stompe punt en zonder buiging, mist het roestrood op de schouderveren en oogt in juveniel kleed egaal grijsbruin geschubd. Langsnavelige vrouwtjes van de oostelijke grijze strandloper overlappen echter met kortsnavelige mannetjes alaskastrandlopers, en op alleen snavellengte determineer je niets: let op de combinatie met kleed. Beide soorten hebben zwemvliesjes tussen de tenen, wat bij een vogel die door een ondiepe plas loopt of net optrekt te zien is, en dat scheidt ze meteen van kleinste strandloper en roodkeelstrandloper, die die vliesjes missen. De kleinste strandloper heeft geel tot geelgroene poten, een fijnere, licht gebogen snavel, een bruiner en sterker gestreept kleed en een volledige gestreepte borstband; de rest van deze groep heeft zwarte poten. De roodkeelstrandloper is korter gesnaveld en langvleugeliger: de vleugelpunt steekt duidelijk voorbij de staart uit, en in zomerkleed is de keel effen roodbruin met een ketting van streepjes eronder, terwijl bij de alaskastrandloper het roestrood juist op kruin, oorstreek en schouderveren zit en de borst en flanken pijlpuntjes dragen. De kleine strandloper, de soort waartussen je hier zoekt, heeft een korte, rechte, fijn getopte snavel, geen zwemvliesjes, heldere witte mantelstrepen in juveniel kleed en een gespleten wenkbrauwstreep. Temmincks strandloper valt af op geelolijve poten, effen grauwe borst, witte buitenste staartpennen en een kruipende houding. Vergelijk ten slotte altijd met de bonte strandloper: die is groter, langer gesnaveld en heeft in winterkleed een fijn gestreepte grauwe borst, maar een jonge bonte op afstand blijft de klassieke valkuil.

Leefgebied

In Europa op wadplaten en zandige stranden, in brakke lagunes, zoutpannen, inlaagjes en op de slikrand van spaarbekkens, vrijwel altijd in gezelschap van bonte en kleine strandlopers. Foerageert pikkend en ondiep sonderend in zacht slib en graast daarbij ook de biofilm van de bovenste laag af. Broedt op droge, met dwergstruiken begroeide toendraruggen in Tsjoekotka en West-Alaska, dicht bij vochtige laagten waar de jongen worden grootgebracht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in Noordoost-Siberië en West-Alaska en overwintert langs beide Amerikaanse kusten, van Californië en de Golf van Mexico tot Peru en Suriname. In Europa is het een uitgesproken dwaalgast: uit Groot-Brittannië en Ierland samen zijn een kleine vijftien gevallen bekend, met het eerste op de Scilly-eilanden in 1969. Nederland telt twee aanvaarde gevallen, in Waadhoeke in augustus 2019 en in Noardeast-Fryslân in augustus 2024, allebei van vogels die vermoedelijk al langer aan deze kant van de oceaan verbleven. In Spanje is de soort viermaal vastgesteld, met Galicië en Tenerife als vindplaatsen.

Waar en wanneer kijken

Werk in augustus en september op het Friese en Groningse wad de hoogwatervluchtplaatsen af en let bij elke groep bonte strandlopers op een peep met een te lange, aan de punt zakkende snavel. Ga laag zitten met de telescoop, wacht tot de vogel in ondiep water loopt en probeer de zwemvliesjes tussen de tenen te zien; die zijn met een goede kijker bij twintig meter haalbaar. Fotografeer alles, ook slecht: schouderveerzomen en snavelprofiel bepalen achteraf of het geval standhoudt.

Staat van instandhouding

Least Concern, met een populatie in de miljoenen, maar het is een soort die zich in de trektijd op weinig plaatsen ophoopt. Op de Copper River Delta in Alaska verzamelen zich in mei miljoenen vogels tegelijk, en dat maakt de soort kwetsbaar voor olierampen, verstoring en aantasting van slikplaten. Omdat de vogels sterk leunen op de biofilm van intergetijdengebieden, drukken baggerwerk, kustversterking en zeespiegelstijging op hun voedselbasis.