Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Strandleeuwerik
Strandleeuwerik
Eremophila alpestris | Horned lark | Alondra cornuda
De strandleeuwerik broedt op kale toendra en boven de boomgrens, en verschijnt bij ons pas als het echt winter wordt: kleine groepjes op de vloedmerkrand van de kwelder, laag over het zand, met een geel-zwart getekende kop die geen enkele andere Europese leeuwerik heeft.
Geluid
De zang hoor je hier vrijwel nooit, want die klinkt van mei tot juli op de broedplaats: een ijl, hoog en licht klingelend zinnetje, tsie-tsie-tsiedle-di-tsíh, dat versnelt en aan het eind omhoog rinkelt, gebracht vanaf een steen of in een korte, dansende zangvlucht. Wat je op de kwelder wél hoort is de roep: een dun, ijl en tweelettergrepig tsie-diep of een kort, hoog tsíeh, meestal van een groepje dat vlak voor je opvliegt en dat zo hoog en zacht klinkt dat het in de wind verdwijnt. Leer die roep: negen van de tien strandleeuweriken hoor je eerder dan je ze ziet.
Opname: Mary Krieger — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Zandbruin van boven, vuilwit van onderen, met een lange, slanke bouw en een klein zwart snaveltje. De kop beslist: gele keel en gele wenkbrauw, een zwarte teugel- en wangstreep die als een brede snor omlaag hangt, en een zwarte borstband. Bij het mannetje in zomerkleed steken twee zwarte veerhoorntjes boven de kruin uit; in de winter liggen die vaak plat en is het zwart doorschoten met bruine veerranden, waardoor de tekening zachter oogt. Poten zwart. In vlucht witte buitenste staartveren, maar géén witte achterrand aan de vleugel.
Verwarringssoorten
Op de kwelder loopt hij tussen sneeuwgorzen en fraters. Sneeuwgors is forser en veel witter, met grote witte vleugelvlakken die bij opvliegen meteen opvallen. Frater is kleiner, overal gestreept, heeft in de winter een gele snavel en bij het mannetje een roze stuit. Veldleeuwerik en kuifleeuwerik missen het gele en zwarte kopmasker helemaal en hebben een gestreepte borst in plaats van een egale zwarte band; veldleeuwerik toont bovendien een witte achterrand aan de vleugel.
Leefgebied
Broedt op open, kale grond: arctische toendra, kaalgewaaide berghellingen boven de boomgrens en steenwoestijn in de Balkan en Turkije. In de winter aan zee: kwelders en schorren met zeekraal en zeeaster, de vloedmerkrand, zeedijken, kale zandvlaktes achter de duinen, hoogwatervluchtplaatsen en soms stoppelakkers vlak achter de zeewering. Altijd lopend op de grond, nooit in een struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Circumpolair verspreid over Noord-Amerika, Noord-Europa en Azië. In Europa broedt de gele vorm flava op de toendra van Scandinavië en Noord-Rusland en de vorm penicillata in de bergen van de Balkan, Griekenland en Turkije. Nederland kent hem alleen als wintergast, van oktober tot maart, met de beste kansen op de Waddenkust, de Groninger en Friese kwelders en in de Delta. In Spanje is hij een zeldzame dwaalgast langs de noordkust.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
November tot februari, in de twee uur rond hoogwater, op een kwelder als de Dollard, Noord-Friesland Buitendijks of de Boschplaat. Loop langzaam langs de vloedmerkrand en luister vooral. De vogels zitten muisstil tussen het aanspoelsel en verraden zich pas als ze vlak voor je voeten opvliegen. Scan elke groep sneeuwgorzen en fraters na, want de drie soorten trekken vaak samen op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar de Noord-Europese broedvogels gaan hard achteruit en het aantal overwinteraars langs de Noordzeekust is in dertig jaar met ruim negentig procent gedaald: waar vroeger honderden op een kwelder zaten, gaat het nu om enkele tientallen. Vermoedelijke oorzaken zijn opwarming en verstruiking van de Scandinavische toendra, het verdwijnen van zilte pioniervegetatie door strak kustbeheer en het opruimen van vloedmerk. Hij is daarmee een van de sterkst afgenomen wintergasten van onze kust.



