Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Graszanger
Graszanger
Cisticola juncidis | Zitting cisticola | Buitrón
Een minuscule, gestreepte zanger van vochtig grasland en rijstvelden, in Zuid-Europa alomtegenwoordig maar altijd eerst opgemerkt aan het monotone dzip dat als een metronoom uit de lucht valt. De soort schuift al decennia noordwaarts op en broedt inmiddels ook in Nederland.
Geluid
De zang is niet muzikaal maar onmiskenbaar: een scherp, kort, metaalachtig dzip … dzip … dzip, ongeveer twee per seconde, waarbij elke noot wordt uitgestoten op het hoogste punt van een golvende zangvlucht, zodat het geluid boven het veld heen en weer stuitert. Hij vliegt daarbij in wijde bogen op tien tot dertig meter hoogte, van maart tot in september, ook midden op de dag en in de volle zon. De roep is een kort, nasaal tsjip of een droog tjek vanuit de vegetatie, vaak vlak voordat hij weer opstijgt.
Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Piepklein, kleiner dan een winterkoning, met een korte, brede, afgeronde staart die als een waaier wordt opgezet en van onderen een zwarte band met witte punten laat zien. Bovendelen roodbruin en zwaar zwart gestreept, ook op de kruin, waar juist géén lichte middenstreep loopt. De stuit is ongestreept en warm roestbruin. Onderdelen effen crèmewit zonder streping, snavel fijn en spits, poten roze. In vlucht klein, licht en dansend, altijd met die korte, opvallend gebandeerde staart.
Verwarringssoorten
Een jonge rietzanger is bij ons de klassieke vergissing: die is duidelijk groter, heeft een lange, ronde staart zonder witte punten, een brede lichte kruinstreep tussen twee donkere banden, een lange romige wenkbrauwstreep en een ongestreepte roestbruine stuit, en hij zit in riet in plaats van in gras. Cetti's zanger is veel donkerder, volledig ongestreept en heeft een explosief luide zang. Sprinkhaanzanger en snor zijn langer en slanker, met een sterk getrapte staart en lange onderstaartdekveren, en ratelen in plaats van te tikken. Graspieper is groter, slanker, langer van staart en heeft geen gestreepte kruin met roestbruine stuit.
Leefgebied
Laag, vochtig, dicht gras: zilte graslanden, rijstvelden, luzerne- en graanakkers, ruige akkerranden, dijken, kwelderranden, oevers van irrigatiekanalen en de randen van lagunes. Het nest is een prachtig peervormig weefsel van grasblad en spinrag, letterlijk aan levende halmen genaaid. Blijft het hele jaar in hetzelfde soort terrein en trekt niet weg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Zuid-Europa, Afrika en Zuid-Azië; in Europa vooral rond de Middellandse Zee en langs de Atlantische kust. In Spanje talrijk in vrijwel al het laaggelegen open land, van de rijstvelden van de Ebrodelta en de Albufera tot de marismas van de Guadalquivir en de steppen van Extremadura. De soort schuift sinds de jaren zeventig noordwaarts op en broedt inmiddels in kleine aantallen in Zeeland, Zuid-Holland en langs de grote rivieren, met terugslag na elke strenge winter.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Spanje: elke voorjaarsochtend boven een rijstveld of een zilte weide; volg het dzip met de kijker omhoog en je hebt hem in de golvende zangvlucht. In Nederland: mei tot juli in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse zilte graslanden en op de dijken van de Delta, opnieuw met je oren als beste instrument. Landt hij, blijf dan wachten: hij komt vaak even op een grasstengel of prikkeldraad zitten en zet dan de staart als een waaier op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en wereldwijd zeer talrijk. De Europese noordgrens schuift op met het klimaat en de soort profiteert van rijstteelt en zachte winters, maar de kleine populaties aan die noordgrens storten na een strenge winter volledig in en moeten van onderaf worden aangevuld. Verdroging van vochtig grasland, het vroeg en volledig maaien van dijken en akkerranden en het omzetten van luzerne naar intensieve teelten kosten nesten.



