Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Steltstrandloper
Steltstrandloper
Calidris himantopus | Stilt sandpiper | Correlimos zancolín
Een strandloper op stelten die zich als een grutto gedraagt. De steltstrandloper waadt tot aan de buik in ondiep zoet water en steekt de snavel daar met snelle verticale stoten in de bodem, als een naaimachine. Die combinatie van lange groengele poten en dat naaien is in Europa uniek.
Geluid
In Europa zelden te horen. De roep is een laag, schor krrp of tjoe, kort en niet ver dragend, minder helder dan de heldere fluit van de kleine geelpootruiter. Op het broedgebied een aanhoudend hinnikend gezang in de baltsvlucht. Reken er niet op dat geluid de determinatie oplost.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slanke, hoogpotige strandloper, groter dan een bonte strandloper en kleiner dan een tureluur. De poten zijn lang en groengeel tot vuilgeel, de snavel is lang, dik van basis en pas in het laatste deel naar beneden gebogen, met een stompe punt. In zomerkleed zijn de onderdelen van keel tot staart dwarsgestreept en dragen kruin en oorstreek een roestbruine gloed; in winterkleed en jeugdkleed is de vogel grijsbruin van boven met een lange, scherpe witte wenkbrauwstreep en streping die tot op de flanken doorloopt. In vlucht ontbreekt een vleugelstreep, de stuit is witachtig en de staart grijs met fijne bandering, terwijl de poten ver voorbij de staart uitsteken.
Verwarringssoorten
Twee soorten dringen zich op. De krombekstrandloper heeft zwarte poten, een fijnere snavel die over de hele lengte gelijkmatig kromt, een strakke witte stuitband die als een lichtbak opvalt, en een duidelijke witte vleugelstreep; hij is bovendien korter van been en waadt niet tot aan de buik. De kleine geelpootruiter heeft felgele poten, een rechte dunne snavel zonder kromming en een vierkant wit stuitvlak, en pikt van het oppervlak in plaats van verticaal te naaien. De steltstrandloper zit er precies tussenin: de pootkleur is doffer groengeel dan bij de geelpootruiter en veel lichter dan bij de krombekstrandloper, de snavel is zwaar aan de basis en buigt alleen aan de punt, en de stuit is wittig maar zonder de scherpe witte band van de krombekstrandloper. Wie twijfelt, wacht op het foerageren: geen van beide andere soorten steekt zo diep en zo mechanisch.
Leefgebied
Ondiep zoet en licht brak water: modderige plasoevers, drooggevallen randen van veenplassen, vloeivelden, bezinkbassins, rijstvelden en natte natuurontwikkeling. De vogel staat vaak dieper in het water dan de omringende steltlopers. Op het broedgebied lage, drassige zeggetoendra met poelen langs de arctische kust van Canada en Alaska.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de arctische toendra van Noord-Canada en Noord-Alaska, overwinterend van het zuiden van de Verenigde Staten tot de Argentijnse pampa's en de Boliviaanse laagvlakten. Groot-Brittannië telt ruim veertig aanvaarde gevallen, met het eerste in Kilnsea in Yorkshire in 1954, verdeeld over een voorjaarspiek in april en mei en een najaarspiek van juli tot september. Nederland kent vijf aanvaarde gevallen: Rhenen in 1998, Bergen in 2000, Noardeast-Fryslân in 2004, een rondtrekkende vogel in Limburg, Gelderland en Friesland in mei 2016, en De Ronde Venen in augustus 2019.
Waar en wanneer kijken
Zoek in juli en augustus op ondiepe zoetwaterplassen met een brede modderzoom: vloeivelden, kleiputten en pas ingerichte natuurgebieden binnendijks, niet op het wad. Scan niet alleen de waterlijn maar ook het water zelf, tien tot twintig centimeter diep, waar de vogel tussen groenpootruiters en kemphanen kan staan. Het naaiende foerageren valt van ver op, ook als de kleur nog niet te zien is.
Staat van instandhouding
In 2024 verschoof de status van niet bedreigd naar gevoelig. De wereldpopulatie is nog groot, maar de trend is neerwaarts. Het knelpunt ligt in de tussenstops: de prairieplassen van de noordelijke Great Plains, die door ontwatering en droogte in aantal afnemen, en de zoetwatermoerassen in het overwinteringsgebied, die worden drooggelegd voor akkerbouw. Daar komt de blootstelling aan landbouwgif bij, doordat de soort juist de ondiepe wateren van landbouwgebieden opzoekt.



