Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Siberische gierzwaluw
Siberische gierzwaluw
Apus pacificus | Pacific swift | Vencejo del Pacífico
De siberische gierzwaluw broedt van West-Siberië tot Kamtsjatka en Japan en overwintert in Australië en Indonesië; in Europa is het een grote zeldzaamheid. Het is de enige gierzwaluw met een witte stuitband die tegelijk een lange, diep gevorkte staart heeft, en dat maakt hem herkenbaar — mits je hem lang genoeg ziet.
Geluid
Een snelle, ratelende triller, tsjiriririri, of een schorrer spie-ier; het geluid is zachter en minder schril dan het srriiii van de gewone gierzwaluw en klinkt eerder buzzend dan gillend. In Europa is de soort vrijwel altijd zwijgend waargenomen, dus voor de bepaling van een dwaalgast valt op de stem weinig te bouwen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter en langer gevleugeld dan de gewone gierzwaluw, met een smaller ogend lichaam. Het opvallendste kenmerk is een witte band over de stuit, één tot twee centimeter breed, die doorloopt tot op de flanken; hij is niet vierkant maar vormt een smalle boog. De staart is lang en diep gevorkt, veel dieper dan bij de gewone gierzwaluw, maar de vork valt alleen te zien als de vogel de staart spreidt — gesloten oogt hij als een lange, spitse punt. De keelvlek is groot en wit en scherper afgegrensd dan bij de gewone gierzwaluw. De onderdelen zijn zwaar geschubd door brede witte veerzomen, waardoor de vogel van onderen grijzig oogt in plaats van egaal donker. De vleugelslag is soepel en gedragen, met lange glijfases; jonge vogels hebben lichte zomen aan de vleugelveren die volwassen vogels missen.
Verwarringssoorten
De gewone gierzwaluw is donker op de stuit en heeft een korte staart met een ondiepe vork, egaal roetbruine onderdelen en een kleine, vage keelvlek; zijn vleugelslag is sneller en flitsender. De vale gierzwaluw is bruiner, met contrastrijker kop- en keelpatroon, een breder ogende vleugelbasis en een tweetonige gil, maar heeft evenmin wit op de stuit. Wit op de stuit hebben wél twee kleinere soorten van Zuid-Europa en Noord-Afrika: de huisgierzwaluw, veel kleiner en compact, met een vierkante witte stuitvlek en een korte, rechte staart, en de pijlstaartgierzwaluw, kleiner en slanker, met een smalle witte sikkel op de stuit en eveneens een diep gevorkte staart — die laatste is de gevaarlijkste verwarring en vraagt om afmeting, keelvlek en schubbing op de buik. Ook de horusgierzwaluw van Egypte en de Levant heeft een brede witte stuitband, maar is kleiner en korter van staart. De alpengierzwaluw is veel groter, bruin van boven en wit op buik en keel. Het is eerlijk om te schrijven dat een langsvliegende gierzwaluw met wit op de stuit vaak niet met zekerheid op naam te brengen is: zonder zicht op staartlengte, keelvlek en buikschubbing blijft het bij een waarschijnlijkheid.
Leefgebied
Broedt kolonievormig in spleten en holten van rotswanden, zeekliffen en kloven en in ruime mate ook onder daklijsten van gebouwen, tot in steden als Vladivostok en op de Japanse eilanden. Jaagt hoog boven open land, bos, rivieren en zee, gemiddeld hoger dan de gewone gierzwaluw waar beide voorkomen. In ons kaartgebied verschijnt de soort boven kustkoppen, vogeleilanden en de open Noordzee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Siberië en Oost-Azië, van de Ob tot Kamtsjatka, Sachalin en Japan, overwinterend in Indonesië, Melanesië en Australië. In Europa is het een dwaalgast met een klein aantal aanvaarde gevallen, verspreid over Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken, Zweden en Spanje; het eerste Britse geval was in 1981 boven de Noordzee, op een gasplatform. Nederland heeft de soort nog niet op de lijst. Vrijwel alle Europese gevallen vallen tussen eind mei en juli, wanneer een oostelijke overschieter met het warme weer meekomt.
Waar en wanneer kijken
Wie deze soort in Europa wil zien, moet in juni en juli bij een kusttrekpost of op een vogeleiland staan waar grote groepen gierzwaluwen langskomen — Helgoland, Fair Isle, Shetland, de Ierse zuidkust — en elke groep systematisch op stuit en staart afzoeken. Fotografeer alles wat afwijkt: de witte stuitband is op beeld vaak beter te beoordelen dan met het oog, en de staartvork toont zich pas op het moment dat de vogel draait.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern): het areaal beslaat meer dan tien miljoen vierkante kilometer, de soort is in het broedgebied algemeen en er is geen aangetoonde afname. Voor Europa heeft de status geen praktische betekenis, want het gaat om losse verdwaalde vogels. De vormen leuconyx, salimalii en cooki worden sinds 2011 als aparte soorten behandeld, waardoor oudere literatuur over deze soort een ruimer gebied beschrijft dan nu geldt.



