Alle soorten › Zangvogels › Pestvogels › Pestvogel
Pestvogel | Bombycilla garrulus
Bohemian waxwing | Ampelis europeo
Een pestvogel in een lijsterbes is een van die beelden waar u jaren op kunt wachten en waar u dan opeens midden in een woonwijk tegenaan loopt. Een zijdezacht, roomroze vogeltje met een achterover wijzende kuif, een zwart masker en op de vleugel een rij glimmende rode plaatjes die eruitzien als druppels gestolde lak. De naam heeft niets met de vogel zelf te maken: hij verscheen in strenge winters met duizenden tegelijk, en juist die winters vielen samen met ziektejaren, waarna men het een aan het ander koppelde.
Geluid
Het geluid is de betrouwbaarste manier om een pestvogel te vinden, en veel vogelaars horen er meer dan ze er zien. Het is een hoge, zilverige, klingelende triller — sirrrrr — die het beste te vergelijken is met een klein belletje of met een fijn ratelend uurwerk: helder, zonder scherpte, en zonder de rauwheid van een spreeuw. Een troepje laat de trillers in een voortdurend, samenvallend gerinkel horen, zowel in de vlucht als vanuit de boomtop waarin ze na een maaltijd gaan zitten indutten. Het draagt verrassend ver over een stille winterochtend, en het is een geluid dat verder niets in Nederland maakt. Een echte zang heeft de soort nauwelijks: wat het mannetje in het voorjaar produceert is niet veel meer dan een aaneenschakeling van diezelfde trillers met wat zachte klikjes ertussen. Dat past bij een vogel die geen voedselterritorium verdedigt en van jaar tot jaar ergens anders broedt, en die dus weinig aan een vaste zangpost heeft.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer zo groot als een spreeuw, maar veel voller en zachter van vorm: gedrongen, met een korte staart, brede spitse vleugels en een lange, naar achteren wijzende kuif die de vogel plat kan leggen. Het verenkleed is warm roomroze tot vaal kaneelbruin, zonder enige vlek of streep, met een grijze stuit. Van de snavelbasis loopt een zwart masker door het oog naar achteren, spits eindigend achter het oog; onder de kin een strak begrensd zwart bibje. De onderstaartdekveren zijn diep kastanjebruin — een kenmerk dat u alleen van onderaf ziet, maar dat nooit ontbreekt. Op de vleugel ligt een strak, bijna geschilderd patroon: witte en gele streepjes op de handpennen, en aan de toppen van de armpennen een rij rode, hoornachtige plaatjes, de 'lakdruppels'. De staart eindigt in een scherpe, brede gele band. Jonge vogels in hun eerste winter zijn valer, hebben een kleiner masker, een licht gestreepte buik en vaak maar een paar rode plaatjes of helemaal geen; het aantal en de lengte ervan nemen met de leeftijd toe.
Verwarringssoorten
In Nederland is de spreeuw de echte verwarring, en die zit vooral in de vlucht — zie ook zijn eigen soortpagina. Beide zijn gedrongen, kortstaartig en spits gevleugeld, vliegen snel en recht en trekken in dichte, wendbare troepen over; een groepje pestvogels boven een woonwijk wordt vaker als spreeuw afgedaan dan andersom. Zittend beslist het in één oogopslag: de pestvogel heeft een kuif, een egaal roomroze kleed en een gele staartpunt, de spreeuw is donker, in de winter dicht wit gespikkeld en heeft een langere, gele snavel en een puntige kop zonder kuif. Ook het geluid beslist: de spreeuw roept hees en schrapend tsjerr, de pestvogel een hoog, zilverig belletje. Van de andere kant kan een groep pestvogels hoog in een kale boomtop op afstand ook op kramsvogels lijken, maar die zijn langer, hebben een lange staart en een grijze kop en stuit. Wie er heel scherp op let: uit Noord-Amerika bereikt zeer zelden een cederpestvogel Europa, kleiner en geler op de buik, met witte in plaats van gele randjes aan de handpennen en witte onderstaartdekveren.
Leefgebied
Het broedgebied is de noordelijke taiga: open, oude naaldbossen van fijnspar en grove den, vaak vermengd met berk, met veel korstmos aan de takken en meestal in de buurt van hoogveen, een meer of een traag riviertje. Daar hangt het nest van takjes, mos en korstmos op een zijtak, laag tot middelhoog, en daar vangen de vogels vliegend insecten boven het water om de jongen groot te brengen. Buiten de broedtijd verschuift het beeld volledig, en dat is het beeld dat de lezer kent: bessendragende struiken en bomen, waar ze ook staan. Lijsterbes boven alles, verder meidoorn, sneeuwbes, vuurdoorn, dwergmispel, appel en Gelderse roos — in Nederland vrijwel altijd aangeplant, in stadsparken, plantsoenen, langs parkeerplaatsen, in tuinen en langs bedrijventerreinen, en op het platteland in oude meidoornheggen en houtwallen. Water is daarbij onmisbaar: na een maaltijd bessen drinken ze veel, of eten ze sneeuw.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in een gordel door de taiga van Noord-Scandinavië, Finland en Rusland tot in Siberië, met kleine aantallen tot in Noord-Noorwegen en Zweeds Lapland — binnen het kaartgebied dus, al zal vrijwel geen lezer hem daar tegenkomen. De winterverspreiding is een ander verhaal en volgt de bessen. De lijsterbes draagt in Fennoscandië in een mastritme: sommige jaren hangen de bomen over een groot gebied tegelijk vol, andere jaren dragen ze vrijwel niets. Valt een goed broedseizoen samen met een rijke bessenoogst, dan gaat er in het najaar een grote populatie de winter in; mislukt de bessenoogst daarna, dan trekt die hele populatie in een brede front zuidwestwaarts en bereikt Nederland, België, Duitsland en Groot-Brittannië met duizenden vogels tegelijk. In tussenjaren blijft het bij enkele tientallen of blijft de soort helemaal weg. Zulke invasies komen grofweg om de drie tot tien jaar; recente grote waren die van 2004/2005, 2010/2011, 2012/2013 en 2023/2024. Spanje bereikt hij alleen in de allerzwaarste invasiejaren, en dan nog met enkele vogels in het uiterste noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in een invasiejaar niet het bos in maar de stad. Zoek in november en december lijsterbessen op parkeerplaatsen, langs winkelcentra, in nieuwbouwwijken en op bedrijventerreinen; juist die aanplant staat vol bessen op het moment dat het buitengebied al is leeggegeten. Loop met de oren open: het zilveren gerinkel hoort u eerder dan u de vogels ziet zitten. Een troep werkt een boom in een uur helemaal leeg en verdwijnt dan, dus terugkomen op dezelfde plek heeft weinig zin — maar de vogels zitten daarna vaak nog een halfuur in de hoogste kale top in de buurt om te rusten, en dat is het moment voor een goede blik op de lakdruppels en de gele staartpunt. Volg in zo'n winter de landelijke waarnemingssites; pestvogels zijn opvallend weinig schuw en laten zich vaak tot op vijf meter benaderen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een zeer groot bestand in de Russische en Fennoscandische taiga en geen aanwijzing voor een structurele achteruitgang. De grote valkuil bij deze soort is dat men het aantal winterwaarnemingen voor een trend aanziet: een winter zonder één pestvogel zegt niets over de populatie, alleen iets over de bessenoogst in Lapland. Zolang tellingen over tientallen jaren worden uitgemiddeld, blijft het beeld stabiel. Bedreigingen liggen vooral in het broedgebied, waar grootschalige houtkap oude, open naaldbossen met korstmos vervangt door dichte, gelijkjarige aanplant. In de overwinteringsgebieden vallen jaarlijks slachtoffers door aanvaringen met ruiten van winkels en kantoren en door aanrijdingen langs bessenrijke bermen; ook raken vogels bedwelmd door gegiste bessen bij invallende dooi, al gaat hun lever daar opvallend goed mee om.



