Alle soortenZangvogelsBoszangers › Pallas' boszanger

Pallas' boszanger

Phylloscopus proregulus | Pallas's leaf warbler | Mosquitero de Pallas

Pallas' boszanger is nauwelijks groter dan een goudhaan en weegt minder dan zes gram, maar hij legt in het najaar duizenden kilometers af van de Siberische taiga tot de Noordzeekust. Wie er in een kustbosje eentje vindt, ziet een vogel die uit zeven strepen lijkt te bestaan en die als een kolibrie voor de takpunten hangt.

Pallas' boszanger (Phylloscopus proregulus)
Foto: christoph_moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In West-Europa is de roep alles wat je hoort, en die is verrassend zacht voor zo'n opvallende vogel: een kort, wat nasaal en licht opgaand tsjoe-wie of djoe-ie, dat aan het geluid van een jonge huismus doet denken en gemakkelijk wegvalt tussen het geroezemoes van pimpelmezen. Het is beduidend zachter, lager en minder scherp dan het luide, doordringende tsuwiest van de bladkoning, en juist dat verschil is in een kustbosje de sleutel: hoor je iets zachts en nasaals tussen de mezen door, dan is het het proberen waard. De zang, die hier bijna nooit klinkt maar in de taiga van mei tot juli, is een verbazingwekkend luid en gevarieerd kanarie-achtig geheel van hoge trillers, dalende glissando's en snelle rollen, uitgestoten door een vogel van zes gram en over honderden meters hoorbaar. Een enkele keer zingt een najaarsvogel bij ons een korte, zachte versie op een warme oktoberdag.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Piepklein, rond en kortstaartig, met een opvallend gestreepte kop. Over de donkere kruin loopt een brede, zwavelgele middenstreep die tot op het voorhoofd doorloopt; daaronder een lange, breed uitwaaierende gele wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De vleugel draagt twee gele vleugelstrepen, waarvan de voorste kort en vaak onopvallend is, plus lichte randen aan de tertials. Het beslissende kenmerk is de citroengele stuitvlek, die alleen zichtbaar wordt wanneer de vogel bidt of zich uitrekt — en dat doet hij voortdurend, want hij foerageert zwevend aan de uiteinden van takken, met de vleugels trillend als een klein kolibrietje. Poten donker, snavel klein en donker met lichte basis.

Verwarrings­soorten

De bladkoning is de soort die je moet uitsluiten en er zijn drie ijkpunten: de kruinstreep (bij Pallas' boszanger breed en helder geel, bij de bladkoning afwezig of hooguit een vage lichte lijn), de stuit (bij Pallas' boszanger een duidelijke citroengele vlek, bij de bladkoning egaal groen) en het formaat en de kleur (Pallas' is kleiner, ronder en veel geler, de bladkoning groter, langer en witter van wenkbrauwstreep en vleugelstrepen). De roep helpt ook: bij de bladkoning een luid, opgaand, doordringend tsuwiest, bij Pallas' een zachter en nasaler geluid. Het goudhaantje heeft eenzelfde formaat en hetzelfde biddende gedrag, maar mist de wenkbrauwstreep volledig en heeft een egaal, uitdrukkingsloos gezicht met een zwart omzoomde kruin. De humes bladkoning is grauwer en heeft slechts één duidelijke vleugelstreep en donkere poten.

Leefgebied

Broedt in donker naaldbos van de Siberische taiga, in lariks, spar en berkenopslag, tot in het bergbos van Zuid-Siberië en Mongolië. Bij ons in het najaar juist in laag, dicht struweel dicht bij zee: duindoornbosjes, wilgenstruweel in duinvalleien, vlier en meidoorn in kustbosjes, tuinen en singels bij vuurtorens en op de Waddeneilanden. Hij foerageert doorgaans in de buitenste takken van struiken en lage bomen, waar het licht is en de insecten zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van de Oeral tot de Zee van Ochotsk en overwintert normaal in Zuidoost-Azië, maar sinds de jaren zeventig is de soort een jaarlijkse najaarsgast in Noordwest-Europa geworden, met per jaar tientallen tot honderden vogels. In Nederland verschijnt hij vrijwel uitsluitend tussen half oktober en eind november, met een piek in de laatste tien dagen van oktober, en vrijwel altijd langs de kust: de Waddeneilanden, de Hollandse duinen en de Maasvlakte. In Spanje is hij een uitgesproken zeldzaamheid, met een klein aantal gevallen, vooral in het noorden en op de Balearen.

Waar en wanneer kijken

De laatste week van oktober, in een klein kustbosje of een duindoornstruweel op een Waddeneiland, na een paar dagen met wind uit het oosten of zuidoosten en het liefst in de ochtend na een heldere nacht. Zoek eerst een troepje pimpelmezen en staartmezen, want de dwaalgasten uit het oosten hangen bijna altijd aan zo'n troep; loop mee en luister naar een zacht, nasaal roepje tussendoor. Kijk vervolgens naar de takuiteinden en let op een vogeltje dat bidt: dat moment van bidden laat de gele stuit zien, en daarmee is de determinatie rond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de Siberische broedpopulatie is enorm en stabiel tot toenemend. Het aantal waarnemingen in Europa is de afgelopen halve eeuw sterk gestegen, wat deels komt door meer en betere waarnemers langs de kust, maar vermoedelijk ook door een werkelijke toename en een verschuiving van de trekrichting. Van een soort die in de jaren zestig een sensatie was, is Pallas' boszanger nu een jaarlijkse gast geworden waarvan in goede jaren tientallen exemplaren op een enkel eiland worden gezien.