Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Kleine regenwulp

Kleine regenwulp

Numenius minutus | Little curlew | Zarapito chico

De kleinste wulp ter wereld, nauwelijks groter dan een goudplevier en met een snavel die voor een wulp bijna kort te noemen is. Een vogel van droog kort gras en verbrande grond, niet van het wad, en in Europa een van de zeldzaamste Siberische dwaalgasten.

Kleine regenwulp (Numenius minutus)
Foto: Wayne Cheng — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snel, hard tsjoe-tsjoe-tsjoe van drie tot vier lettergrepen, schriller en scherper dan de fluitreeks van de regenwulp en zonder de gelijkmatige, vrolijke toon daarvan. Bij opvliegen ook een oplopend tsjieoe en, bij opwinding, een kort trillertje. Wie de regenwulp goed in het oor heeft, hoort meteen dat er iets niet klopt: dezelfde structuur, maar rauwer en hoger.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en rank, met een lange dunne hals, een ronde kop en een kort verendek dat warm zandbruin oogt met donkere schubben en strepen. De snavel is drie tot vier centimeter, dun, en buigt pas in het laatste stuk; de basis van de ondersnavel is vaalroze tot vleeskleurig. De kop draagt donkere zijkruinstrepen met een smalle lichte middenstreep en een vage oogstreep, samen een matter patroon dan bij de regenwulp. Borst en flanken zijn geelbruin met fijne streping, de buik is wit. De poten zijn licht: grijsroze tot vleeskleurig. In vlucht oogt hij spits en snel als een kleine plevier, met een egaal bruine stuit zonder witte wig en een egaal zandkleurige ondervleugel zonder bandering.

Verwarrings­soorten

De regenwulp is de enige serieuze verwarringssoort. Formaat is het eerste: de kleine regenwulp is met achtentwintig tot tweeëndertig centimeter een derde korter dan een regenwulp, in het veld eerder een goudplevier met een wulpensnavel dan een kleine wulp. De kopstreping deelt hij met de regenwulp, maar bij hem is de lichte middenstreep smaller en vager, de oogstreep achter het oog nauwelijks aanwezig, en oogt de hele kop zachter en minder contrastrijk. De snavel is het duidelijkst: bij de kleine regenwulp maar drie tot vier centimeter, dun en pas aan de punt gebogen, met een lichte basis, tegen de veel langere en op tweederde geknikte snavel van de regenwulp. De pootkleur is het kenmerk dat je op afstand vasthoudt: licht grijsroze tot vleeskleurig bij de kleine regenwulp, donker blauwgrijs bij de regenwulp. In vlucht mist de kleine regenwulp bovendien de witte rugwig van de Europese regenwulp, en is zijn ondervleugel egaal zandkleurig in plaats van fijn gebandeerd.

Leefgebied

Anders dan de meeste steltlopers zoekt hij droog land op. Kort gegraasd grasland, stoppelakkers, geploegd land, verbrande vlakten, sportvelden en zelfs gazons, meestal in de buurt van water maar niet erin. Hij eet insecten, vooral sprinkhanen en kevers, en loopt daarbij plevierachtig: een stukje rennen, stoppen, pikken. Broedt in Noordoost-Siberië op open hellingen en brandvlakten in de lariks- en berkentaiga, langs de bovenlopen van kleine rivieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van een klein gebied in Noordoost-Siberië, overwinterend in Noord-Australië, met doortrek via China, Japan, Indonesië en Nieuw-Guinea. Europa ligt volledig buiten die route, en het aantal aanvaarde gevallen is dan ook op één hand te tellen. Groot-Brittannië heeft er twee, allebei eind augustus: Sker Point in Glamorgan in 1982 en het gebied Blakeney tot Salthouse in Norfolk in 1985. Nederland heeft er één, en dat was een bijzondere: een vogel die van 23 december 2019 tot 18 januari 2020 in de Kop van Noord-Holland verbleef, bij Hollands Kroon en Schagen, en daarmee een van de eerste winterwaarnemingen op het noordelijk halfrond opleverde. Voor Spanje ontbreken aanvaarde gevallen.

Waar en wanneer kijken

Reken er niet op dat je hem op het wad vindt. De Nederlandse vogel liep in akkerland en op korte graskavels tussen kieviten en goudplevieren, en dat is precies het beeld waar je op moet letten: een klein, warm zandbruin steltlopertje met een kromme snavel dat zich als een plevier gedraagt in een groep plevieren. Scan in de nazomer en het najaar de velden met kort gras en pas geoogste akkers achter de kust, en let bij elke afwijkende regenwulp op formaat en pootkleur. Blijkt het raak, dan is geduld beloond: deze vogels foerageren rustig, zijn plaatstrouw en laten zich vaak dagen tot weken lang bekijken.

Staat van instandhouding

Least Concern. De wereldpopulatie wordt op ruim honderdduizend vogels geschat en de soort is buiten de broedtijd geconcentreerd in een klein deel van Noord-Australië, waar hij lokaal in duizendtallen bijeenkomt. Juist die concentratie maakt hem kwetsbaar: het verlies van intergetijdengebied langs de Gele Zee, waar de vogels op de trek opvetten, is voor alle steltlopers van deze route het grootste knelpunt. Op de Australische graslanden spelen omzetting naar intensieve landbouw en veranderde brandregimes mee. De broedgebieden in Siberië zijn afgelegen en vooralsnog weinig aangetast.