Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Gons' stormvogel

Gons' stormvogel

Pterodroma feae | Fea's petrel | Petrel gon-gon

Gons' stormvogel is de stormvogel van de oostelijke Atlantische Oceaan: grijs van boven met een donkere M over de vleugels, wit van onderen, met een geheel donkere ondervleugel die oplicht wanneer de vogel zich uit het golfdal omhoog gooit. Het is de vogel waar zeetrektellers bij Madeira, de Azoren en de Iberische kapen op wachten, en meestal ook de vogel die zij daarna met een schuine streep in de naam moeten noteren.

Gons' stormvogel (Pterodroma feae)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij. Boven Bugio roepen de vogels na donker in de vlucht met een lang aangehouden klaagtoon die stijgt en dan afbreekt, en uit het hol komt een herhaald tweedelig gon-gon, laag en nasaal; die roep leverde de vogel zijn Kaapverdische en zijn Spaanse naam. Het roepen is het hevigst op donkere nachten in de tweede helft van de zomer.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 35 cm, met lange smalle vleugels die breed aanzetten en licht gebogen worden gedragen, en een korte, hoge, zware zwarte snavel die de kop stomp en stiernekkig maakt. De bovendelen zijn grijs met een zwartige M van vleugelpunt tot vleugelpunt; stuit en staart zijn lichter en kouder grijs en steken af tegen de donkerder mantel en binnenvleugel — op afstand een werkelijk bruikbaar kenmerk. Het gezicht is wit met een donkere veeg om het oog, de kruin grijs. De onderdelen zijn wit met een grijze vlek aan weerszijden van de borst die zich niet tot een band sluit. De ondervleugel is overal donker, zonder lichte middenstreep. De vlucht is bij wind snel en hoog bogend, de vogel schiet meters omhoog en kantelt op stijve vleugels; bij stil weer laag flappend en glijdend met korte, kwieke slagen.

Verwarrings­soorten

Dit is de sectie waar het om gaat, en die moet eerlijk zijn. Zino's stormvogel broedt in het bergland van Madeira en heeft precies hetzelfde verenkleed: dezelfde grijze rug, dezelfde M, dezelfde lichte staart, dezelfde donkere ondervleugel. De verschillen zitten in de bouw — zino's is kleiner en slanker, met smallere vleugels en vooral een duidelijk lagere, fijnere snavel, ruwweg 11 tot 12 mm hoog aan de basis tegen 13 tot 15 mm bij gons'. Een paar millimeter snavelhoogte beoordeelt niemand door een bewegende telescoop op een stampende boot. In de praktijk is een vogel alleen te benoemen op scherpe foto's die de snavel in zijaanzicht tonen, en ook dan blijven veel gefotografeerde vogels naamloos; het juiste veldetiket is dus stormvogel van het gons'/zino's-paar. De broedvogels van Bugio worden sinds de jaren tweeduizend door verschillende gezaghebbende lijsten als aparte soort behandeld, de desertas-stormvogel, en ook zij zijn op verenkleed niet van de Kaapverdische vogels te scheiden, zodat dezelfde silhouet drie namen draagt. Donsstormvogel, een dwaalgast van de zuidelijke oceanen, is de enige uit de groep die op verenkleed wél te scheiden is: hij heeft een grijze band die dwars over de borst sluit en geen lichte staart. Grote pijlstormvogel is groter en bruiner, met een witte halsband en een witte ondervleugel; kuhls en scopoli's pijlstormvogel zijn veel groter en trager met zware gele snavels.

Leefgebied

Diepe open zee, vooral langs fronten en boven onderzeese bergen waar het voedsel 's nachts opstijgt, en normaal ver buiten zicht van land. Hij pakt inktvis en kleine vis van het oppervlak, meestal na donker, in snelle passages zonder te blijven zitten. Vogels met zenders van de Desertas maken lange lussen over de midden-Atlantische Oceaan en benutten daarbij de wind rond voorbijtrekkende stormen. Aan land gebruikt hij holen en rotsspleten op steile, hooggelegen hellingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied van deze gids ligt de enige broedplaats op Bugio, het zuidelijke eiland van de Desertas bij Madeira; de rest van de wereldpopulatie broedt op vier eilanden van Kaapverdië, buiten de kaart. Op zee reiken de vogels van Madeira en de Canarische Eilanden noordwaarts tot de Azoren, de Golf van Biskaje en de aanloop van Ierland en Groot-Brittannië, met een geregelde najaarstrek langs de noordwesthoek van Iberië. Vanaf de Nederlandse kust is de soort geen realistisch doel: waarnemingen ten noorden van Biskaje zijn zeldzaam en worden vrijwel altijd als gons'/zino's genoteerd.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De betrouwbare plek is Madeira. Boek een hele of meerdaagse pelagische tocht vanuit Machico of Funchal richting de Desertas tussen eind juli en begin oktober; de boten werken 's middags het diepe water af en met lokvoer komen de vogels dicht genoeg voor de snavelfoto's die de determinatie nodig heeft. Wie op het vasteland blijft, heeft de beste kans bij een zeetrektelling op Estaca de Bares of Cabo Vilán in Galicië in de tweede helft van augustus of in september, in de eerste uren na zonsopkomst met harde noordwestenwind achter een depressie; een overtocht door de Golf van Biskaje in dezelfde weken is het redelijke alternatief.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN: Near Threatened). De totale populatie is klein — enkele honderden paren op Bugio en naar schatting rond duizend op Kaapverdië — en beperkt tot een handvol eilanden, en dat houdt de soort op de lijst. Ratten en katten nemen eieren, jongen en volwassen vogels; geiten en konijnen hebben de hellingen van Bugio ooit kaalgevreten en na hun verwijdering herstellen de begroeiing en de holen zich, met langzaam stijgende aantallen. Lichtvervuiling trekt uitvliegende jongen naar wegen en havens, en de hele populatie zou blootstaan aan de introductie van één nieuw roofdier.