Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Franklins meeuw

Franklins meeuw

Leucophaeus pipixcan | Franklin's gull | Gaviota de Franklin

Een kleine, donkere kapmeeuw van de prairiemoerassen van Noord-Amerika, die als een van de weinige meeuwen tot in Chili en Peru overwintert. In Europa een schaarse dwaalgast die zich verraadt door twee dingen: brede witte oogleden en een witte streep dwars door de zwarte vleugelpunt.

Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan)
Foto: David A Mitchell — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, klagend wiè-ah dat in reeksen wordt herhaald en aan een gedempte lachmeeuw doet denken, maar zachter, hoger en minder rauw. Daarnaast een kort, nasaal kwek. Een enkele dwaalgast tussen kokmeeuwen zwijgt vaak, dus reken niet op geluid als eerste aanwijzing.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Kleiner en compacter dan een kokmeeuw, met een korte, slanke snavel, een ronde kop en een korte hals. De adulte zomervogel is donker leigrijs op mantel en vleugels, met een zwarte kap tot ver in de nek en zeer brede witte oogleden boven en onder het oog. Snavel en poten zijn donkerrood. De vleugelpunt draagt een zwarte band met witte toppen, en tussen het grijs van de vleugel en dat zwart loopt een duidelijke witte scheidingsband. In winterkleed blijft een half zwart masker staan dat over de kruin doorloopt en de vogel een gekapt voorkomen geeft. Eerstejaars vogels lijken op wintervogels maar zijn bruiner op de bovenvleugel, hebben een zwarte staartband die de buitenste staartpennen wit laat en missen de witte scheidingsband nog.

Verwarrings­soorten

De kokmeeuw en de zwartkopmeeuw zijn de vogels waar hij tussen zit. Drie dingen beslissen het. Ten eerste de oogleden: bij Franklins meeuw twee brede, vlezige witte bogen die boven en onder het oog bijna aansluiten, veel forser dan de dunne witte streepjes van de kokmeeuw en zwaarder dan de nette maar smallere oogring van de zwartkopmeeuw. Ten tweede de kap: de kokmeeuw verliest zijn chocoladebruine kap in de winter volledig en houdt alleen een oorvlek over, terwijl Franklins meeuw ook buiten de broedtijd een half zwart masker draagt dat over de kruin doorloopt. Ten derde de vleugelpunt: bij Franklins meeuw scheidt een witte band het grijs van de vleugel van het zwart van de punt, een kenmerk dat geen enkele Europese kapmeeuw heeft. De kokmeeuw valt daarnaast af op de witte voorrand van de handvleugel, de zwartkopmeeuw op zijn geheel witte vleugelpunt, de zware rode snavel en het bleke grijs van de mantel. Formaat helpt ook: Franklins meeuw is kleiner en gedrongener dan beide.

Leefgebied

In Europa vrijwel altijd aan de kust: slikplaten en kwelderranden van estuaria, zandstranden en havenmonden, en verder spaarbekkens, kleiputten en drassige weilanden waar kokmeeuwen achter de ploeg aan lopen. In het broedgebied is het een moerasvogel die drijvende nesten bouwt in zoetwatermoerassen op de prairie; die nesten zakken weg en worden dagelijks door beide ouders bijgewerkt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de prairies van Midden-Canada en de noordelijke Verenigde Staten, overwinterend langs de Grote Oceaan tot in Peru en Chili. Dat is de langste trek van alle Amerikaanse meeuwen, en juist die lange as over land maakt overstekende vogels zeldzaam. In Nederland zijn tussen 1900 en 2021 dertien gevallen bevestigd; België heeft er onder meer uit 1987, 2000, 2009, 2016, 2017 en 2021. In Groot-Brittannië en Ierland gaat het om enkele tientallen vogels, waarvan sommige maandenlang blijven hangen.

Waar en wanneer kijken

Scan in de nazomer en herfst kokmeeuwengroepen op slikplaten en achter de ploeg, en let op één vogel die kleiner, donkerder van mantel en zwaarder gekapt oogt. Kijk eerst naar de kop: de brede witte oogleden zijn ook op afstand te zien en zijn het snelste kenmerk. Laat de groep daarna opvliegen voor de witte scheidingsband in de vleugelpunt, want dat beeld sluit de determinatie in één keer af.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een wereldpopulatie die in 2018 op één tot anderhalf miljoen vogels werd geschat en een toenemende trend. De soort hangt wel volledig van prairiemoerassen af, en die zijn gevoelig voor ontwatering, peilbeheer en droogte; een kolonie kan in een droog jaar in zijn geheel verdwijnen. Op de trek is de vogel afhankelijk van geïrrigeerde akkers en ondiepe meren in het binnenland van Noord-Amerika.