Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dougalls stern
Dougalls stern
Sterna dougallii | Roseate tern | Charrán rosado
De bleekste en witste stern van Europa, en tegelijk de zeldzaamste. Wie hem uit een groep visdieven wil lichten, kijkt eerst naar de twee witte staartpennen die als draden ver voorbij de vleugelpunt hangen, en luistert daarna.
Geluid
Twee geluiden dragen de determinatie. Het contactgeluid is een zacht, tweelettergrepig tsjoe-wik met de klemtoon achteraan, dat sterk aan de roep van een zwarte ruiter doet denken en dat in een lawaaiige sternenkolonie er meteen bovenuit komt. Daarnaast een rauw, schurend aaach, korter en harder dan het krassen van de grote stern. Beide zijn boven zee bruikbaar op afstanden waarop snavelkleur allang niet meer te beoordelen is, en bij een langsvliegende vogel is het geluid vaak het enige harde kenmerk dat je krijgt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Formaat als een visdief, maar witter, bleker en veel langer van staart. De bovenvleugel is egaal lichtgrijs zonder donkere wig in de buitenste handpennen; alleen langs de voorrand van de hand loopt een dunne donkere lijn. De snavel is vroeg in het seizoen vrijwel geheel zwart en krijgt vanaf ongeveer juni een rode basis, die bij sommige vogels tot halverwege doorloopt. De poten zijn oranjerood en merkbaar langer dan bij de noordse stern. In vers kleed ligt over de borst een rozeachtige waas die alleen van dichtbij en bij strijklicht te zien is en binnen een paar weken wegslijt. Bij een zittende vogel steken de witte staartpennen vijf tot acht centimeter voorbij de gevouwen vleugelpunt. Juvenielen zijn grofgeschubd donkerbruin op de bovendelen, met donker voorhoofd en zwarte snavel en poten. De lengtemaat hierboven is inclusief die staartpennen, zoals de meeste veldgidsen hem geven; bronnen die alleen het lichaam meten komen zo'n vijf centimeter lager uit.
Verwarringssoorten
Alles draait om bovenvleugel, staart en geluid. Van boven is de dougalls stern egaal bleekgrijs: hij mist de donkere wig die de visdief in de loop van de zomer in de buitenste handpennen krijgt en ook de haarscherpe smalle achterrand van de noordse stern; wat overblijft is een dunne donkere lijn langs de voorrand van de hand. De staartpennen zijn wit en zo lang dat ze bij een zittende vogel ruim voorbij de vleugelpunt steken, verder dan bij de noordse stern en veel verder dan bij de visdief, waar ze hooguit tot de punt reiken. De snavel is overwegend zwart met laat in het seizoen een rode basis; de visdief heeft een oranjerode snavel met zwarte punt, de noordse stern een egaal bloedrode snavel zonder punt. De roze gloed op de borst is meegenomen, maar er valt niets op te bouwen: hij verbleekt snel en in hard licht zie je hem niet. In de vlucht oogt de vogel korter van vleugel en langer van achterlijf, met een snellere, stijvere en ondiepere slag, alsof hij op halve uitslag vliegt, waar visdief en noordse stern losser en veerkrachtiger slaan. Blijft er twijfel, dan beslist de roep. Grote stern is groter en nog bleker, maar heeft een gele snavelpunt, een ruige kuif en een heel ander, tweelettergrepig gekrijs.
Leefgebied
Broedt op kleine rotsige eilandjes en kiezelbanken voor de kust, bij voorkeur waar dichte kruidenvegetatie, losse stenen of nestkasten dekking geven; het nest ligt dan ook zelden in de open lucht. Foerageert boven ondiepe zee met stroming, boven zandbanken en in getijstromen, waar de vogel van grotere hoogte en steiler duikt dan de visdief en langer onder water blijft. Het menu bestaat vrijwel geheel uit zandspiering en jonge haringachtigen. Na het broedseizoen verzamelen de vogels zich op zandstranden, strandhoofden en pieren, meestal in gemengde sternenslaapplaatsen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De Europese broedpopulatie is klein en zit in een handvol kolonies: Rockabill en Lady's Island Lake in Ierland, Coquet Island in Noordoost-Engeland, enkele eilandjes voor de kust van Bretagne en de Azoren. Daarbuiten broedt de soort in het Caribisch gebied, langs de oostkust van Noord-Amerika en in de tropische Indische en Stille Oceaan. De Europese vogels overwinteren langs de kust van West-Afrika, met het zwaartepunt in de Golf van Guinee. Voor Nederland gaat het om een zeldzame gast, vrijwel altijd tussen mei en september en vrijwel altijd in gezelschap van visdieven.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek tussen half juli en eind augustus, wanneer de kolonies leeglopen en er sternengroepen op strandhoofden, pieren en droogvallende platen liggen in het Wadden- en Deltagebied. Loop zo'n groep rustig af op twee dingen: staartpennen die voorbij de vleugelpunt steken en een snavel die te zwart oogt voor een visdief. Ga daarna even zitten en luister alleen; het tsjoe-wik komt er in de praktijk eerder uit dan dat je de vogel in het telescoopbeeld hebt gevonden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese populatie is zo klein en zo geconcentreerd dat één slecht seizoen op één eiland meteen in het totaal terug te zien is. Predatie door grote meeuwen, ratten en nertsen, overstroming van laaggelegen nestplaatsen bij zomerstormen en het dichtgroeien van de nestterreinen zijn de knelpunten; in de overwinteringsgebieden in West-Afrika worden sterns nog altijd gevangen. Het beheer op Rockabill en Coquet Island laat zien hoe snel de soort reageert op nestkasten, vegetatiebeheer, bewaking en het weren van grondpredatoren.



