Alle soorten › Zangvogels › Diksnavelmezen › Bruinkopdiksnavelmees
Bruinkopdiksnavelmees | Suthora webbiana
Vinous-throated parrotbill | Picoloro acanelado
De kleinste van de twee diksnavelmezen die in de moerassen van Noord-Italië zijn beland: een warm roze-oranjebruin balletje met een lange staart en een snaveltje dat op dat van een miniatuurpapegaai lijkt. In China is het een van de gewoonste tuinvogels; in Europa zit hij op een handvol vierkante kilometers riet in Lombardije en Piemonte, verweven met een tweede soort waar hij nauwelijks van te scheiden is.
Geluid
Een groep is luidruchtiger dan je van zulke kleine vogels verwacht: een aanhoudend, hoog, ijl gekwetter dat met de groep door het riet mee schuift. De contactroep is een dun tsjip-tsjip, snel herhaald en van meerdere vogels tegelijk; bij opwinding klinkt er een droog, nasaal tsjrrr doorheen. De zang is nauwelijks meer dan een ijl, versneld reeksje van dezelfde tikjes, twee tot drie seconden lang, meestal vanaf een rietstengel. Van de grijskeeldiksnavelmees is het geluid in het veld niet betrouwbaar te scheiden — wie ze uit elkaar wil houden, moet naar de kop kijken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Nog kleiner en ronder dan de grijskeeldiksnavelmees: elf tot twaalfeneenhalve centimeter, waarvan het grootste deel staart. De snavel is heel kort, hoog en bol, hoornkleurig tot grijsbruin met een lichtere punt. De hele vogel is warm en eenkleurig: kruin en voorhoofd zijn roodbruin en gaan zonder scherpe grens over in de wang, de nek en de mantel, zodat de kop één toon lijkt te hebben. Keel en bovenborst zijn roze tot lichtwijnrood met fijne, vage streepjes — de kleur die de soort haar Engelse naam bezorgde. De vleugel toont kastanjerode zomen op de armpennen en de dekveren, wat bij een vogel in de zon een roestige gloed geeft. De iris is donker, zonder opvallende oogring. De staart is zeer lang en getrapt. Jonge vogels zijn donkerder en egaler op de bovendelen. Man en vrouw zijn niet te scheiden.
Verwarringssoorten
Het hele probleem is de grijskeeldiksnavelmees, die in hetzelfde Italiaanse riet zit — daar staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant beschreven. Die is iets groter en heeft een tweekleurige kop: de kastanjebruine kruin is scherp afgesneden tegen een duidelijk grijze wang, keel en bovenborst, met fijne donkere streepjes op de grijze keel. Bij de bruinkop is er van dat grijs niets te zien: kruin, wang en keel gaan vloeiend in elkaar over en de keel is roze, niet grijs. Kijk dus niet naar de kruin — die is bij allebei roodbruin — maar naar de wang. En houd er rekening mee dat er in Noord-Italië tussenvormen rondvliegen; een vogel die er tussenin zit, laat je ongedetermineerd. Verder deelt in Italië alleen het baardmannetje dit biotoop: veel groter, okerbruin, met een gele spitse snavel en bij het mannetje een zwarte hangsnor. De staartmees heeft dezelfde silhouetstaart maar een zwart-wit-roze kop en een dun snaveltje, en zit in struweel.
Leefgebied
In Noord-Italië gebonden aan natte ruigte in het laagland: rietkragen, verlandende moerasoevers, greppel- en kanaalkanten en de overgangszone van riet naar wilgen- en spireastruweel, vaak met late guldenroede. Ook langs rijstvelden en op ruige spoor- en wegbermen met riet. In China zit hij daarnaast volop in struweel, bamboe, theeplantages en zelfs stadstuinen — die brede biotoopkeuze is de reden dat men aannam dat hij in Europa verder zou komen dan hij tot nu toe is gekomen. Klimt in groepjes langs stengels, laag boven het water. Eet insecten, kleine vruchten en zaden, en in de winter wat er in dode rietstengels overwintert.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van nature een vogel van Oost-Azië: van Noord-Vietnam en Zuid-China noordwaarts tot Mantsjoerije en het zuiden van het Russische Verre Oosten, plus Korea en Taiwan; in China vrijwel overal beneden 1400 meter, op Taiwan tot 3100 meter. In Europa alleen in Noord-Italië, in hetzelfde gebied als de grijskeeldiksnavelmees: de moerassen rond het Lago di Varese, de Palude Brabbia, het dal van de Ticino en de rietvelden richting Lago Maggiore en Piemonte. Die bevolking gaat terug op de ontsnapping van omstreeks honderdvijftig handelsvogels in 1995. De Lombardische checklist voert hem als ingeburgerde broedvogel op. Hoeveel van de enkele duizenden vogels in het gebied tot deze soort horen, is niet uitgezocht — daar zit precies het probleem.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dezelfde plekken als voor de grijskeeldiksnavelmees: de Palude Brabbia bij Varese en de rietvelden langs de Ticino. Zoek het gekwetter, blijf op het pad en wacht tot een vogel boven in een stengel klimt. Neem daarna alle tijd voor één ding: de wang. Ziet die er even warm bruin uit als de kruin, dan heb je deze soort; is er een duidelijke grijze kap, dan de andere. Maak in twijfelgevallen een foto — de kleuren zijn in het veld bedrieglijk bij tegenlicht, en een beeld laat zich naderhand rustig beoordelen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in Oost-Azië een van de talrijkste kleine zangvogels, tot in tuinen en parken. In Europa gaat het om een exoot die teruggaat op ontsnapte handelsvogels, met een areaal van hooguit enkele tientallen kilometers doorsnee. Hoe het met deze populatie gaat, is niet met zekerheid te zeggen, en dat is geen slordigheid maar de kern van de zaak: de Italiaanse vogels zijn nooit soort voor soort geteld, en oudere bronnen behandelden beide soorten als één. De Lombardische lijst noemt alleen deze naam, terwijl de literatuur over hetzelfde gebied vooral over de grijskeeldiksnavelmees gaat. Van schade is niets aangetoond. In theorie is er voedselconcurrentie met rietgors en kleine karekiet, en in het riet zou verdringing kunnen spelen, maar geen enkele studie heeft een afname van een inheemse soort aan deze vogels gekoppeld. Wat er wél toe doet is de omgekeerde vraag: het Italiaanse rietmoeras krimpt, en beide diksnavelmezen hangen er volledig van af. De soort staat niet op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve exoten.



