Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zeearend
Zeearend
Haliaeetus albicilla | White-tailed eagle | Pigargo europeo
De zeearend is de grootste roofvogel van Europa en in Nederland de spectaculairste terugkeer van deze eeuw: van nul broedparen in 2005 tot een gestaag groeiende stand in de grote moerassen. Wie er één boven de Oostvaardersplassen ziet zeilen, begrijpt de bijnaam vliegende deur meteen.
Geluid
Meestal zwijgzaam buiten de nestomgeving. Rond het nest en boven de territoriumgrens een blaffende, ver dragende reeks klie-klie-klie-klie, hoog en bijna meeuwachtig voor zo'n grote vogel, vaak in duet door beide partners met de kop schuin omhoog. Het luidst van februari tot april, wanneer paren boven hun horst baltsen en soms met de klauwen in elkaar haakend omlaag tuimelen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Het silhouet doet het werk. Enorme, brede, rechthoekige vleugels met een vlakke voorrand en zes lange, diep ingesneden handpennen, gedragen in een strak horizontaal vlak — geen V, geen bolling. Het lijf is zwaar, de hals lang en de kop met de reusachtige gele snavel steekt ver naar voren, ongeveer even ver als de staart naar achteren. De staart is kort en bij de adulte vogel wigvormig en spierwit. Adult: donker aardbruin lijf, een lichte, vaalgele kop en hals, een geheel gele snavel en die witte wigstaart. Onvolwassen: veel donkerder en meer gevlekt, met een donkere snavel, een donkere kop en een donkere staart met witte veerschachten en een gemarmerde binnenzijde; het wit in de staart komt pas in vier tot vijf jaar door, van binnen naar buiten. Jonge vogels hebben ook langere staart- en armpennen, waardoor de vleugelachterrand golft in plaats van recht te lopen.
Verwarringssoorten
Verwarring is bij een goed zicht nauwelijks mogelijk, maar op afstand kan het misgaan. Een steenarend is slanker, houdt de vleugels in een ondiepe V, heeft een kleinere kop die duidelijk minder ver uitsteekt dan de langere staart, en een vleugel die aan de basis smaller is dan in het midden; zijn staart is lang en rond, nooit wigvormig. Een vale gier heeft nog bredere vleugels maar een minuscule ingetrokken kop en een korte, ronde staart. Een jonge zeearend op grote afstand kan door de vlakke vleugelhouding en de brede vleugels aan een zwarte ooievaar of aan een gier doen denken, maar de vooruitstekende kop en de zware, korte wigstaart maken er snel een eind aan. Een buizerd naast een zeearend geeft de beste maatlat: het formaatverschil is grotesk.
Leefgebied
Grote wateren met visrijkdom en rust: laagveenmoerassen, randmeren, grote rivieren, stuwmeren en aan de kust zeearmen, fjorden en scherenkusten. Broedt in een enorme takkenhorst hoog in een oude boom, soms jarenlang in dezelfde. Eet vooral vis en watervogels, maar is ook een verklaarde aaseter — in de winter een vaste gast bij dode ganzen en vis, en dan vaak samen met raven, kraaien en buizerds op één kadaver.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van IJsland en Noorwegen via de Oostzee en Midden-Europa tot Rusland en Centraal-Azië; de Europese stand groeit al decennia. In Nederland broedt hij sinds 2006, in de Oostvaardersplassen, de Biesbosch, het Lauwersmeer, de Zuidwestelijke Delta, de Randmeren en langs de grote rivieren, en overwinteren er daarnaast noordelijke vogels. In Spanje is de zeearend geen broedvogel en zeer zeldzaam: hooguit een dwaalgast in het noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de winter naar een groot moerasgebied of een randmeer — Oostvaardersplassen, Lauwersmeer, Biesbosch — en zoek eerst de horizon af naar een donkere, blokvormige vorm op een paal of op het ijs; het silhouet zittend is even herkenbaar als in vlucht. Een paniekgolf onder duizenden ganzen of smienten verraadt een langsvliegende arend vaak eerder dan je hem zelf ziet. Rond de nestplaatsen is het van februari tot juli belangrijk om afstand te houden en op de paden te blijven.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Europa een van de grote successen van de natuurbescherming. Na het verbod op DDT en kwikhoudende zaadontsmetting, het terugdringen van vervolging en gerichte bescherming van nestplaatsen groeide de stand van enkele honderden paren in de jaren zestig tot vele duizenden nu, met kolonisatie van Nederland, Denemarken, Tsjechië en Frankrijk. Loodvergiftiging door loodhagel in aas, aanvaringen met windturbines en hoogspanning en verstoring van nestplaatsen zijn de resterende knelpunten.




