Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Woestijnplevier
Woestijnplevier
Anarhynchus leschenaultii | Greater sand-plover | Chorlitejo mongol grande
De grootste en zwaarstgesnavelde van de zandplevieren, en de enige uit die groep die met enige regelmaat op Noordwest-Europese wadplaten opduikt. Nederland telt inmiddels ruim twintig aanvaarde gevallen, bijna alle op de zoute kust.
Geluid
Een zacht, rollend tprrr of drrrit, meestal in vlucht en een stuk droger en lager dan het heldere toe-iet van de bontbekplevier. Bij verstoring op een hoogwatervluchtplaats klinkt een kort, hard tik. In Nederland worden dwaalgasten vaker op het geluid opgemerkt dan verwacht, omdat ze bij het opvliegen met bonte strandlopers meegaan.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een forse, langpotige plevier met een zware, rechte, zwarte snavel die aan het einde stomp verdikt is en duidelijk langer is dan de afstand van de snavelbasis tot de achterrand van het oog. Het voorhoofd loopt vlak af en de kruin is plat, waardoor de kop hoekig en voorzwaar oogt. In prachtkleed een smalle roestrode borstband zonder zwarte onderrand, een zwart masker over oog en oorstreek, een rossige kruin en een klein wit voorhoofdsvlekje. In winter- en jeugdkleed grijsbruin met een onderbroken bruine borstzijvlek. Poten lang en vaalgroen tot grijsgroen. In vlucht een brede witte vleugelstreep over hand- en armpennen, witte staartzijden, witte oksels en een lichte ondervleugel; tenen en een stukje loopbeen steken voorbij de staart.
Verwarringssoorten
Het hoofdprobleem is de mongoolse plevier, tegenwoordig gesplitst in siberische en tibetaanse plevier. Die zijn kleiner, hebben een kortere en fijnere snavel die ongeveer even lang is als de afstand van snavelbasis tot achterrand oog, een rondere kopvorm met steiler voorhoofd, kortere en donkerder grijze poten, en in prachtkleed een bredere roestrode borstband die vaak een zwarte bovenrand heeft. In vlucht steken bij de mongoolse plevier alleen de tenen voorbij de staart, bij de woestijnplevier ook een stuk loopbeen. Kaspische plevier en steppeplevier zijn slanker en langpotiger, hebben een dun snaveltje zonder verdikte punt en geel- tot okerkleurige poten, en missen de brede witte vleugelstreep; de steppeplevier heeft bovendien een donkerbruine ondervleugel, waar de woestijnplevier witte oksels toont. Snavellengte, pootkleur en kopvorm zijn alleen betrouwbaar bij een goed geziene, rustende vogel op korte afstand met neutraal licht; op een wadplaat in tegenlicht blijven alleen de algemene grootte, de rechtopstaande houding en de tenenprojectie in vlucht over.
Leefgebied
Broedt op droge, kale hoogsteppe, zoutvlakten en kiezelwoestijn van Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië, vaak rond zoutmeren. Buiten de broedtijd is het een uitgesproken kustvogel: slikplaten, zandstranden, koraalplaten en getijdengeulen van Oost-Afrika tot Australië, waar hij op zicht jaagt op krabbetjes en wormen. In Europa verschijnen dwaalgasten precies daar waar een vogelaar ze zou verwachten: op wadplaten, kwelders en zandstranden, meestal tussen bontbekplevieren en steenlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Centraal-Turkije, Armenië, Azerbeidzjan en de steppen en woestijnen van Centraal-Azië tot Mongolië; overwintert langs de kusten van Oost-Afrika, Arabië, Zuid-Azië en Australië. Naar Noordwest-Europa is het een zeldzame maar toenemende dwaalgast: Nederland heeft ruim twintig aanvaarde gevallen, waarvan het merendeel in de nazomer en een kleiner deel in het voorjaar, met Texel en het Deltagebied als vaste plekken. Spanje kent slechts twee aanvaarde gevallen, beide in de Ebrodelta, in augustus 1993 en in augustus 1996.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de laatste week van juli of in augustus naar een hoogwatervluchtplaats op de Wadden of in de Delta en scan de groepen bontbekplevieren en steenlopers rond het opkomende tij. Zoek een plevier die net te groot is, te hoog op de poten staat en een te zware snavel heeft, en fotografeer eerst het snavelprofiel voordat de groep weer opvliegt. Wie de soort in prachtkleed wil zien, gaat begin mei naar de zoutvlakten bij het Tuz Gölü in Centraal-Turkije.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de overwinteringsgebieden in de Gele Zee en langs de Aziatische kusten verdwijnen door landaanwinning, en op de Turkse en Centraal-Aziatische broedgronden drogen zoutmeren op door onttrekking van water voor irrigatie. Voor Europa is de soort vooral een graadmeter: het aantal gevallen neemt toe, wat eerder met betere waarneemintensiteit dan met een grotere populatie te maken heeft. Alle betrokken plevieren, van de woestijn- tot de kaspische en de steppeplevier, worden sinds 2023 in het geslacht Anarhynchus geplaatst in plaats van in Charadrius; oudere gidsen voeren deze soort nog als Charadrius leschenaultii.




