Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Siberische grijze ruiter
Siberische grijze ruiter
Tringa brevipes | Gray-tailed tattler | Playero siberiano
Een effen grijze ruiter van Siberische bergrivieren, in West-Europa nog geen handvol keer vastgesteld. Wie hem treft ziet een compacte vogel op een strandhoofd of pier: egaal leigrijs van kruin tot staart, met opvallend korte gele poten eronder.
Geluid
De roep is een helder, opwaarts tu-wiet van twee lettergrepen, meestal in de vlucht en goed hoorbaar boven branding uit. Bij onrust wordt dat een gehaaster tu-wi-wi, soms met een scherpe klie ertussen. De Amerikaanse grijze ruiter geeft daarentegen een rollende triller van zes tot tien tonen; dat verschil is in het veld betrouwbaarder dan welk verenkleedkenmerk ook.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kruin, nek, mantel, stuit en staart zijn gelijkmatig leigrijs, zonder de witte wig op de stuit die vrijwel alle andere Tringa-soorten in vlucht laten zien. De rechte zwartige snavel heeft een geelachtige basis, de teugelstreep is donker en de smalle witte wenkbrauwstreep is vooral vóór het oog duidelijk. In zomerkleed staat de borst vol fijne grijze dwarsstreepjes die op de flanken doorlopen maar ruim vóór de onderstaartdekveren ophouden; in winterkleed is de borst egaal grijs, scherp afgezet tegen een witte buik. De poten zijn kort en helder geel, waardoor de vogel laag en gedrongen op de steen staat.
Verwarringssoorten
Het echte probleem is de Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana), even onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten: daar loopt de dwarsstreping door tot op de onderstaartdekveren en is de neusgroef langer, ruim de helft van de snavel. Een tureluur in winterkleed lijkt op afstand op hem, maar heeft oranjerode poten en die witte stuitwig; de terekruiter heeft een opgewipte snavel, oranjegele poten en een veel onrustiger looppas.
Leefgebied
Broedt op grindbanken en steenbeddingen van snelstromende bergrivieren in Noordoost-Siberië, vaak tientallen kilometers landinwaarts. Buiten de broedtijd is het een vogel van beschutte kusten: riffen, rotsplaten, steenglooiingen en de slikken daartussen, in de winterkwartieren ook mangrovekreken. Foeragerend loopt hij tussen de stenen door en pikt krabbetjes en garnalen van het natte substraat, vaak wippend met het achterlijf.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de benedenloop van de Jenisej oostwaarts tot Tsjoekotka en Kamtsjatka. De winter wordt doorgebracht langs de kusten van Zuidoost-Azië, Indonesië en Australië. In het Westelijk Palearctisch gebied gaat het om een handvol vogels: Wales in oktober 1981, Moray in november 1994, en het exemplaar dat begin augustus 2010 ruim een uur op de Zuidpier van IJmuiden doorbracht en daarna nooit meer werd teruggevonden.
Waar en wanneer kijken
Op deze soort valt niet te plannen, alleen te reageren. Leer de roep: de vogel van IJmuiden werd op geluid opgemerkt, niet op beeld. Scan verder in augustus en september de basaltblokken van pieren en strandhoofden waar steenlopers en oeverlopers rondscharrelen; een egaal grijze steltloper met korte gele poten tussen die groepjes verdient altijd een tweede blik.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de gevoelige soorten. Langs de Oost-Aziatisch-Australaziatische trekroute lopen de aantallen terug, vooral door landaanwinning en het verdwijnen van getijdenplaten rond de Gele Zee, waar de vogels op doortrek moeten opvetten. Het broedgebied in Siberië ligt grotendeels buiten bereik van directe menselijke druk, zodat het knelpunt in de tussenstops zit.



