Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Kokardezaagbek

Kokardezaagbek

Lophodytes cucullatus | Hooded merganser | Serreta capuchona

De kleinste zaagbek van Noord-Amerika en de enige met een kuif die als een waaier kan worden opgezet. Een baltsend mannetje klapt die witte, zwart omrande schijf open en dicht als een kokarde, en dat is een van de opvallendste vertoningen die een eend te bieden heeft. In Europa hangt boven elke waarneming de vraag of de vogel op eigen kracht is gekomen.

Kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus)
Foto: Ryan Hodnett — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de baltstijd zwijgzaam. Het mannetje maakt bij het baltsen een diep, rollend gebrom dat aan een verre kikker of een startende motor doet denken, vaak weergegeven als krrrooo; het vrouwtje geeft een hees, blaffend gak of een snelle reeks ge-ge-gek als ze opvliegt. In Europa krijg je in de praktijk niets te horen.

Luister: Roep (vrouwtje)XC477559

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Het mannetje heeft een zwarte kop met een grote, zwart omrande witte waaierkuif die plat tegen de nek kan liggen of wijd wordt opgezet; de borst is wit met twee zwarte spitsen die vanaf de schouder naar voren steken, de flanken zijn warm kaneelbruin en de rug zwart met fijne witte strepen op de schouderveren. De snavel is smal, zwart en gezaagd. Het vrouwtje is grijsbruin met een losse, roodbruine warrelkuif in de nek, een lichte keel en een geelachtige ondersnavel. In vlucht is de vogel klein, langgerekt en snel, met een wit vleugelveld dat bij het vrouwtje tot een smal streepje is teruggebracht.

Verwarrings­soorten

Een volwassen man is niet met iets anders te verwarren. Twee andere kwesties zijn wel reëel. De eerste zijn de vrouwtjes en de jonge vogels: die worden geregeld als middelste zaagbek doorgegeven, maar de kokardezaagbek is aanmerkelijk kleiner en korter van hals, heeft een donkere, korte snavel in plaats van een lange rode, en een scherp afgetekende witte keel onder een grijsbruine kop, terwijl de middelste zaagbek in de hals vaag overloopt. Ook een vrouwtje nonnetje wordt weleens verwisseld, maar dat heeft een witte wang en een grijs lijf zonder bruine kuif. De tweede kwestie is de herkomst: de soort is een gewilde siervogel op Europese watervogelcollecties en ontsnapt regelmatig. Kijk naar pootringen, geknipte of vervormde handpennen, tam gedrag en vooral naar datum en plaats: een vogel in november op een afgelegen Iers of Schots meer weegt zwaarder dan een tamme man in maart op een parkvijver.

Leefgebied

Beschut zoet water met dekking langs de kant: bosvijvers, beverdammen, kreken, langzaam stromende rivieren en de rustige uithoeken van meren en stuwmeren. Vermijdt open zee en zit zelden ver van de oever; ontsnapte vogels duiken op stadsvijvers en parkwateren op. Broedt in boomholten boven of vlak bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt en overwintert in Noord-Amerika, van zuidelijk Canada tot de Golfkust. Het eerste als wild aanvaarde geval in Groot-Brittannië is een vogel op North Uist in oktober 2000; Ierland heeft een handvol gevallen, en in Dublin verblijft daarnaast al jaren een groepje dat van collectievogels afkomstig is. Spanje heeft één homologatiegeval: een eerstejaars vogel op Tenerife van december 2001 tot februari 2002. In Nederland zijn de meldingen tot dusver op ontsnapte vogels teruggevoerd. Wie de soort ziet, moet dus eerst uitsluiten dat het om een collectievogel gaat.

Waar en wanneer kijken

Voor een wilde vogel is de late herfst het beste moment, in het uiterste westen: Ierland, de Hebriden en Zuidwest-Engeland, bij voorkeur na een reeks westerstormen en vaak in gezelschap van andere Amerikaanse dwaalgasten. Zoek op kleine, beschutte wateren met bosrand en overhangende takken, niet op open zee. Noteer altijd de poten, de handpennen en het gedrag ten opzichte van mensen; zonder die gegevens is een geval niet te beoordelen.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd en de aantallen nemen in Noord-Amerika toe, mede door het ophangen van nestkasten. Knelpunten zijn het verdwijnen van oude holenbomen langs bosbeken, het rechttrekken en uitbaggeren van waterlopen en het verlies van beverdammen en dode-hout-poelen. Voor Europa gelden de aantallen niet: hier gaat het om losse dwaalgasten en om vogels die uit collecties zijn weggevlogen.