Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Grote alexanderparkiet
Grote alexanderparkiet | Psittacula eupatria
Alexandrine parakeet | Cotorra alejandrina
De grote alexanderparkiet is de grootste papegaai die in Europa vrij rondvliegt: met staart en al ruim een halve meter, en met een snavel als een rood mes. In Amsterdam en Haarlem zit inmiddels een bevolking van bijna duizend vogels, en in Keulen, Wiesbaden, Brussel en Istanbul vliegen er ook groepen. Wie in een stadspark een parkiet ziet die net te groot en net te traag is voor een halsbandparkiet, heeft deze soort voor zich.
Geluid
Diep, rauw en galmend: een luid kie-aar of kiejah, een rollend rwaaa en een droog, ratelend klak-klak-klak. Alles klinkt een stuk lager en voller dan het schelle gekrijs van de halsbandparkiet, en juist dat verschil in toonhoogte is in een gemengde groep het bruikbaarst. Bij de slaapplaats en rond het nestgat daarnaast een gekwetter van korte, keffende noten. Jaarrond te horen, het meest tegen de schemering.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Forse, zwaar gebouwde parkiet van 56–62 cm, waarvan meer dan de helft staart. Grasgroen, met een blauwgrijze waas over achterhoofd en wangen en een geelgroene buik. Twee kenmerken maken hem sluitend. Ten eerste de snavel: massief, diep bloedrood met een bleekgele punt, veel zwaarder dan bij welke andere Europese parkiet ook. Ten tweede een kastanjebruinrode vlek op de binnenste vleugeldekveren, de schoudervlek, die in alle kleden aanwezig is — ook bij vrouwtje en jonge vogel. De man heeft daarnaast een zwarte kin- en wangstreep die achter in de nek overgaat in een roze band; vrouwtjes en jonge vogels missen die tekening. Het vliegbeeld is dat van een halsbandparkiet in het groot: recht en snel, maar met tragere, zwaardere slagen en een breder achterlijf, en de lange staart eindigt in gele punten.
Verwarringssoorten
De halsbandparkiet is de soort waar het om draait, want de twee vliegen in Amsterdam, Keulen en Brussel door elkaar en zitten op dezelfde slaapplaatsen. Die is een derde kleiner en veel ranker, heeft een fijnere snavel waarvan alleen de bovenkaak rood is, en mist de schoudervlek volledig; zijn roep is schel en hoog, die van de grote alexanderparkiet dieper en rauwer, en zijn vleugelslag sneller en oppervlakkiger. De man van de halsbandparkiet draagt een dunne zwarte halsband met roze rand, die van de grote alexanderparkiet een bredere, veel opvallender variant daarvan. Bij twijfel: kijk naar de vleugelboeg. De monniksparkiet lijkt op geen van beide — gedrongen, kort van staart, met een grijs voorhoofd, grijze keel en grijsgeschubde borst en een hoornkleurige snavel, en hij bouwt een groot takkennest in plaats van in een holte te broeden.
Leefgebied
Oude stadsparken, parkachtige begraafplaatsen, landgoedbossen en oude villawijken — overal waar zeer dikke, oude bomen staan. Broedt van half maart tot eind april in ruime boomholten, meestal oude spechten- of rotgaten die verder worden uitgeknaagd, soms zelf uitgehakt in zacht hout; legsel twee tot vier eieren. Foerageert op zaden, knoppen, bloesem, jonge scheuten en fruit, en in de winter ook op voertafels in tuinen. Slaapt met tientallen tot honderden bij elkaar in een vaste boomgroep, vaak in gezelschap van halsbandparkieten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het natuurlijke areaal ligt in Zuid-Azië en Indochina: van oostelijk Afghanistan en Pakistan door India, Nepal en Sri Lanka tot Bangladesh, Myanmar, Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam, met een aparte vorm op de Andamanen. Dat gebied ligt volledig ten oosten van het kaartgebied van deze gids. In Europa gaat de bevolking terug op ontsnapte kooivogels. Nederland is inmiddels het bolwerk: het eerste broedgeval was in 2006, en in januari 2025 werden er ongeveer 985 vogels geteld, vrijwel allemaal in Amsterdam en Haarlem, met de grote gezamenlijke slaapplaats in het Oosterpark; sinds 2024 zwerven groepen uit naar Utrecht, Noord-Holland en zelfs Texel. Verder broedt de soort in Keulen (93 paren in 2018), Wiesbaden, Bonn en Frankfurt, in Brussel, in enkele Engelse steden en in flinke aantallen in de parken van Istanbul.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de winter tegen zonsondergang naar het Oosterpark in Amsterdam en wacht de invallende parkieten af. In de wolk halsbandparkieten zit een minderheid die er anders uitziet: groter, met tragere slagen, een dikker achterlijf en een langere staart. Als er een groep in een kruin landt, zoek dan met de kijker de rode vlek op de vleugelboeg — die is er ook bij vrouwtjes en jonge vogels en verraadt de soort meteen. De diepe, galmende roep werkt net zo goed: die hoor je er dwars doorheen. In de broedtijd loont het om oude iepen en platanen met een ruime holte in de gaten te houden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd als gevoelig beoordeeld (IUCN: Near Threatened) en afnemend. De reden is de vangst voor de kooivogelhandel — tussen 1981 en 2014 gingen ten minste 57.772 vogels de internationale handel in — samen met verlies van oud bos; de scherpste afname is vastgesteld in Sindh en Punjab in Pakistan en in delen van Laos, Cambodja en Thailand. Daar staat de Europese ontwikkeling tegenover: hier is het een exoot die teruggaat op ontsnapte kooivogels en die sinds ongeveer 2013 in een stroomversnelling zit, met een verdubbeling om de paar jaar. De soort staat niet op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve exoten. De Nederlandse risicobeoordeling wijst op mogelijke concurrentie om ruime boomholten met inheemse holenbroeders en merkt op dat gerichte bestrijding lastig is, omdat de vogels tussen de veel talrijkere halsbandparkieten zitten. Hard bewijs voor verdringing ontbreekt vooralsnog; de aantallen zijn klein genoeg om het nauwkeurig te kunnen volgen, en groot genoeg om dat ook te doen.



