Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Bosrietzanger
Bosrietzanger
Acrocephalus palustris | Marsh warbler | Carricero políglota
Een onopvallende bruine zanger met een uitzonderlijk talent: hij bouwt zijn zang op uit de stemmen van tientallen andere vogels, Europese én Afrikaanse, en zingt ze in een onafgebroken, muzikale stroom af. Wie in juni langs een brandnetelrand loopt die vol nagedane vogelgeluiden zit, hoort een bosrietzanger.
Geluid
De zang is een lange, aan één stuk voortrollende stroom die muzikaler is dan die van elke andere Acrocephalus: heldere fluittonen, snelle rollertjes en een typisch nasaal tsjek-tsjek-tsjek-motief, doorschoten met volmaakte imitaties van boerenzwaluw, spreeuw, kwikstaart, huismus, kneu, grasmus en van Afrikaanse soorten die hij in het winterkwartier heeft opgepikt. Een gemiddeld mannetje imiteert een stuk of zeventig soorten en wisselt zo snel dat je pas na een paar minuten luisteren het patroon doorkrijgt. Hij zingt van eind mei tot half juli, vooral in de avond, de nacht en de vroege ochtend, meestal half verscholen in ruigte. Roep: een kort, hard tsjek en een ratelend tsjerr.
Opname: Robert Petersen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Van boven effen olijfbruin zonder enige streping, met een koele, licht olijfgroene waas en een fletse stuit die nauwelijks van de mantel afsteekt. De kop is rond met een steil voorhoofd en een zachte uitdrukking, met een korte, vage lichte wenkbrauwstreep die niet ver achter het oog doorloopt, en een lichte oogring. Onderdelen roomwit met een gele waas op borst en flanken. Twee kenmerken beslissen: de handpenprojectie is lang, ongeveer even lang als het zichtbare deel van de armpennen, met zeven tot acht scherp afgetekende handpentoppen, en de poten zijn licht — bleek vleeskleurig, geelbruin of grijsroze, tot in de tenen toe. De snavel is kort en breed aan de basis.
Verwarringssoorten
Kleine karekiet is de soort waar het om draait en de vergelijking is het hele verhaal. De zang beslist het snelst: kleine karekiet traag, laag en krassend met eindeloos herhaalde motieven, bosrietzanger snel, hoog, muzikaal en vol imitaties. Verder is de handpenprojectie lang tegenover kort, zijn de poten bleek vleeskleurig tegenover grijsbruin tot loodgrijs, is de stuit flets olijfbruin tegenover warm roestbruin, is het voorhoofd steil tegenover vlak aflopend, en staat de bosrietzanger in ruigte en struweel op het land terwijl de kleine karekiet in riet boven water zit. De zeldzame struikrietzanger is donkerder en korter van vleugel, met een duidelijker wenkbrauwstreep vóór het oog en donkerder poten. Spotvogel is groter, geler, met een oranje ondersnavel en een veel zwaardere kop.
Leefgebied
Niet in riet boven water, maar in vochtige ruigte op het land: velden met brandnetel, moerasspirea en fluitenkruid langs sloten en beken, wilgenstruweel, jonge opslag, luzerne- en koolzaadvelden, spoortaluds, ruige akkerranden en bermen. Eén struik of jonge boom als zangpost is vaak genoeg. Hij keert later terug dan alle andere zangvogels, omdat hij hoge, kruidige vegetatie nodig heeft die er half mei pas staat.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Frankrijk en Nederland oostwaarts tot in Rusland, met het zwaartepunt in Midden- en Oost-Europa. Nederland ligt aan de westrand van het areaal en telt toch tienduizenden paren, in polderruigtes, langs kanalen en in het rivierengebied. Het is een extreme langeafstandstrekker: hij arriveert pas half mei, vertrekt alweer in augustus en vliegt via het oostelijke Middellandse Zeegebied en de Hoorn van Afrika naar Zuidoost-Afrika. In Spanje daarom uiterst schaars, vrijwel alleen als doortrekker in het noorden en met een enkele broedplaats in de Pyreneeën.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eerste twee weken van juni, tussen middernacht en zonsopgang of in het laatste uur voor donker, langs een sloot met brandnetels en wilgenopslag. Ga staan en laat de zang tien minuten doorlopen: pas dan pik je de imitaties er stuk voor stuk uit. Wil je de vogel ook zien, wacht dan tot hij op de top van een brandnetelstengel klimt, en kijk meteen naar de bleke poten en de lange handpenprojectie. Een avond waarop je een kleine karekiet in het riet en een bosrietzanger in de ruigte ernaast hoort, is de beste les die er bestaat.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over vrijwel het hele areaal stabiel tot licht toenemend; in Nederland heeft hij geprofiteerd van verruigde bermen, oevers en natuurontwikkelingsgebieden. De knelpunten liggen dicht bij huis: het klepelen en te vroeg maaien van bermen en slootkanten in juni, wanneer de nesten er nog hangen, en het opruimen van ruigte in agrarisch gebied. Als extreme langeafstandstrekker is hij bovendien afhankelijk van goede tussenstops in de Sahel en Oost-Afrika.



