Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Auerhoen
Auerhoen
Tetrao urogallus | Western capercaillie | Urogallo común
Het grootste hoen van Europa en een vogel die je zelden toevallig tegenkomt. Buiten de baltstijd leeft het auerhoen verborgen in oud naaldbos; de haan verraadt zich alleen in het vroege voorjaar, en dan met een strofe die nauwelijks tweehonderd meter draagt.
Geluid
De baltsstrofe van de haan duurt vijf tot acht seconden en valt uiteen in vier delen. Ze begint met losse klikken die versnellen, klop … klop … klop-klop-klop, alsof er water uit een kraan valt. De klikken schuiven aaneen tot een triller, en die eindigt in één droge knal als een kurk die uit een fles schiet, plop. Daarna volgt de langste fase, twee tot drie seconden schurend wetstenen: tsjie-krie-tsjie-krie, alsof iemand een zeis aanzet. Juist tijdens dat wetstenen trekken de spiertjes in het middenoor samen, zodat de haan zijn eigen laagfrequente geluid dempt en enkele seconden vrijwel niets hoort. Jagers hebben dat venster eeuwenlang gebruikt om ongezien dichterbij te springen. Het geluid is verrassend zacht en draagt zelden verder dan tweehonderd meter, dus je moet er dicht bij zijn om iets te horen. Baltsplaatsen liggen jaar na jaar op dezelfde open plek en zijn kwetsbaar: herhaalde verstoring door wandelaars, honden en fotografen in de schemer laat een plaats binnen enkele jaren leeglopen. Blijf op de paden, blijf op ruime afstand en ga in het broedseizoen niet het bos in op zoek naar de bron van het geluid.
Opname: Jugrü — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
De haan is leigrijs met een donkergroen glanzend borstschild, roodbruine vleugels, een witte vlek op de vleugelbocht en een zware, ivoorwitte snavel; boven het oog ligt een rode wratige roos. Baltsend spreidt hij de staart tot een brede waaier met witte spatten en steekt hij de puntige baardveren onder de kin naar voren. De hen is roestbruin met zwarte dwarsbanden, heeft een ongetekende oranjebruine vlek midden op de borst en een afgeronde staart. Het maatverschil is extreem: hanen wegen vier tot vijf kilo, hennen zelden meer dan twee, en de haan is bijna anderhalf keer zo lang.
Verwarringssoorten
De hen wordt verward met een korhen. De auerhen is fors groter, warmer roestbruin, heeft die effen oranjebruine borstvlek en een afgeronde staart; de korhen is kouder grijsbruin, fijner gebandeerd, heeft een licht gevorkte staart en een witte vleugelstreep. Waar beide soorten samen voorkomen loopt bovendien het rackelhoen rond, de kruising van korhaan en auerhen. Zo'n rackelhaan houdt het midden tussen de ouders: 65 tot 78 centimeter, glanzend zwart met een koperrode tot violette weerschijn op de borst, een brede maar slechts ondiep gevorkte staart — niet de diepe lier van het korhoen en niet de waaier van het auerhoen — een smalle witte vleugelstreep en een snavel die lichter is dan die van een korhaan maar het zware ivoor van de auerhaan mist. Hij verschijnt meestal op korhoenbaltsplaatsen, waar hij de kleinere hanen wegjaagt, en zijn roep is een hees mengsel zonder de vier nette fasen van een echte auerhoenstrofe. De vogels zijn onvruchtbaar.
Leefgebied
Oud, ijl naaldbos met veel licht op de bodem en een dichte laag bosbes: die struiklaag levert winterknoppen, zomerbessen en de insecten waar de kuikens van leven. Verder mierennesten, open plekken voor de balts, grove dennen om in te overnachten en langs bospaden of beken wat grind, dat de vogels als maalsteentjes opnemen. In Scandinavië en Rusland horen veenranden en drassig dennenbos erbij, in de Alpen en de Karpaten gemengd berg- en lariksbos, en in het Cantabrisch gebergte leeft de soort in oude beukenbossen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Schotland en de Pyreneeën oostwaarts door de Alpen, de Karpaten en de Balkan, en met een aaneengesloten areaal door Fennoscandië en Noord-Rusland tot in Siberië. In Nederland, België en de Ardennen is het auerhoen al lang verdwenen. De dichtstbijzijnde broedvogels zitten in het Zwarte Woud; verder in Duitsland resteren de Alpen, het Beierse Woud en kleine restpopulaties in de middelgebergten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eenvoudigste kans voor een Nederlandse vogelaar ligt in Midden-Zweden of Zuid-Finland, waar in april vanuit vaste schuilhutten op de balts wordt gekeken; je gaat er 's nachts in en blijft tot de vogels zelf vertrekken. Wie in Midden-Europa zoekt, doet dat in het Beierse Woud of Šumava, en dan vanaf de weg of een uitkijkpunt. Zoek buiten de balts naar sporen: gruis van naalden onder slaapbomen, drie centimeter dikke keutels als sigaren, en veren langs stofbaden op zandpaden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in West- en Midden-Europa versnipperd en overal in de min. De oorzaken zijn steeds dezelfde: dichte, gelijkjarige productiebossen zonder bosbeslaag, natte en koude junimaanden die de kuikens fataal worden, hoge predatiedruk van vos en marter langs bosranden, aanvaringen met wildrasters en skiliftkabels, en verstoring in de baltstijd. Het herstelbeheer draait dan ook om lichter bos, minder rasters en rust in het voorjaar.



