Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse strandplevier
Amerikaanse strandplevier
Anarhynchus nivosus | Snowy plover | Chorlitejo níveo
De Amerikaanse tegenhanger van de strandplevier, sinds 2011 als aparte soort behandeld, en ongeveer de onwaarschijnlijkste vogel die de Westelijke Palearctis te bieden heeft. Hij staat hier niet omdat iemand er een gaat vinden, maar omdat elke afwijkende strandplevier op een Atlantisch eiland een tweede blik en een geluidsopname verdient.
Geluid
Een zacht, herhaald toe-wiet, gebruikt bij balts, alarm en territoriumgeschillen, met in de broedtijd een snorrend prrrt en een kort, enkelvoudig tsjurr bij het verdedigen van jongen. Het hele repertoire is stil en gaat gemakkelijk verloren in brandingsgeruis, en juist daarom telt bij deze soort de recorder zwaarder dan het notitieboekje.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een zeer kleine, zeer bleke plevier van kaal zand, met een fijne, geheel zwarte snavel, donkergrijze tot zwartige poten en een altijd onderbroken borstband: twee losse donkere vlekken naast de hals, nooit doorlopend. Broedende mannetjes tonen een zwarte voorhoofdsband, een zwarte vlek achter het oog en zwarte borstvlekken, tegen een bleke zandkleurige kruin met slechts een beperkte roestige tint op achterkruin en nek. Vrouwtjes en winterkleed hebben datzelfde patroon in zacht grijsbruin. De bovendelen zijn opvallend bleek en zandkleurig, de onderzijde wit, en in vlucht zijn er een duidelijke witte vleugelstreep en witte staartzijden.
Verwarringssoorten
Tegenover bontbekplevier en kleine plevier is de zaak meteen rond door de onderbroken borstband, de zeer bleke bovendelen en de zwarte snavel met donkere poten. Al het overige is de strandplevier, en daar luidt het eerlijke antwoord dat beide in het veld nauwelijks te scheiden zijn. Ze worden pas sinds 2011 als aparte soorten behandeld, en dat is een indelingskwestie, geen verhaal over waar de vogels vandaan komen: de gepubliceerde onderbouwing berust op genetische afstand samen met kleine verschillen in lichaamsmaat, pootlengte, vleugelmaten, donskleed en roep, niet op een veldkenmerk dat op vijftig meter standhoudt. In de praktijk zou een claim moeten steunen op de roep, op maten van een gevangen vogel of op foto's die goed genoeg zijn om de vleugelformule te beoordelen. De gebruikelijke roep is een herhaald toe-wiet, met daarnaast een snorrend prrrt en een enkel tsjurr, en dat is in het veld de bruikbaarste lijn. Een zwijgende vogel in versleten kleed op een strand is niet veilig op naam te brengen.
Leefgebied
Kaal, droog en open terrein met weinig of geen vegetatie: brede zandstranden boven de vloedlijn, schelpen- en grindbanken, droge zoutvlakten, de dijkjes en drooggevallen bodems van zoutpannen en de oevers van sodameren. In Europa zou een vogel op dezelfde plekken zitten als de strandplevier, en vrijwel zeker tussen hen in, op een strand of een zoutpan en niet op estuarien slik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt langs de Pacifische en Golfkusten van Noord-Amerika, op de sodameren van het Great Basin en de Great Plains, in het Caribisch gebied en langs de Pacifische kust van Zuid-Amerika, en is grotendeels standvogel of korteafstandstrekker. Een vast patroon van voorkomen in Europa bestaat niet; de Azoren, waar de meeste westelijke dwaalgasten aan land komen en waar de strandplevier schaars genoeg is om op te vallen, zijn de meest plausibele plek voor een eerste geval.
Waar en wanneer kijken
Dit is geen soort om naar op zoek te gaan. De reële aanpak is elke strandplevier op de Azoren, Madeira of de Canarische Eilanden die ongewoon bleek oogt of verkeerd klinkt te fotograferen en vooral op te nemen, en die opname in te dienen. De najaarsperiode, wanneer daar toch al Amerikaanse steltlopers aankomen, biedt de beste kans.
Staat van instandhouding
Sinds 2014 gevoelig, met een wereldpopulatie die op 24.000 tot 31.000 volwassen vogels wordt geschat en een matig snelle afname. De druk is die van elke op het strand broedende plevier: recreatie op de broedstranden, invasieve helmgrassen die het open zand dichtzetten, wateronttrekking die de sodameren in het binnenland laat opdrogen, en zware predatie door kraaien en uitgezette vossen.



